WIB 92, Art. 52bis
Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-28). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.
Uitleg
In één alinea
Dit artikel bepaalt dat sommen die een belastingplichtige met winst of baten werkelijk heeft betaald ten gunste van een collectieve voorziening voor kinderdagopvang, als beroepskosten worden aangemerkt, onder de voorwaarden die het artikel in 1° tot 6° opsomt. De opvangvoorziening is erkend, vergund of gesubsidieerd door Opgroeien regie, het Office de la naissance et de l'enfance of de regering van de Duitstalige Gemeenschap. De sommen zijn rechtstreeks of door tussenkomst van die bevoegde instelling aan de opvangvoorziening gestort overeenkomstig de reglementering van de betreffende gemeenschap. De opvangvoorziening gebruikt ze om werkingskosten en uitgaven voor infrastructuur of voor uitrusting te financieren die nodig zijn voor het creëren, vanaf 1 januari 2003, van opvangplaatsen voor kinderen van minder dan drie jaar die voldoen aan de voorwaarden van de betreffende gemeenschap, of voor het behoud van de aldus gecreëerde plaatsen. De sommen mogen niet worden gebruikt voor de betaling van de normale tussenkomst van de ouders voor de oppas van hun kinderen. Per belastbaar tijdperk mogen de sommen die als beroepskosten in aanmerking kunnen worden genomen een in de wet vastgelegd maximum per opvangplaats niet overschrijden; dat maximum is een geïndexeerd bedrag. De bevoegde instelling verstrekt jaarlijks per opvangvoorziening aan de belastingplichtige die de sommen heeft gestort een document waarin ze verklaart dat aan de voorwaarden is voldaan, en waarin ze het gebruikte bedrag en het aantal betrokken opvangplaatsen opgeeft.
Voor wie
Toepassingsgebied volgens het manifest: beide. Het artikel staat in de titel over de personenbelasting, bij de vaststelling van het netto-inkomen, onder beroepskosten. Het gaat over de belastingplichtige die in artikel 23, § 1, 1° en 2°, vermelde winst of baten verkrijgt.
Sinds wanneer en overgang
Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.
Rekenvoorbeeld
Bedrag jaarlijks geïndexeerd; zie het FOD-bericht.
Veelgemaakte fouten
- Een storting aan een opvangvoorziening die niet erkend, vergund of gesubsidieerd is door een van de genoemde instellingen als beroepskost aanmerken. De wet stelt die erkenning, vergunning of subsidiëring als voorwaarde.
- Sommen meetellen die gebruikt worden voor de betaling van de normale tussenkomst van de ouders voor de oppas van hun kinderen. De wet sluit dat gebruik uit.
- Het maximum per belastbaar tijdperk als één bedrag voor alle stortingen samen lezen. De wet legt het maximum vast per opvangplaats.
- Het basisbedrag uit de wettekst gebruiken zonder indexering. De wet noemt het een geïndexeerd bedrag.
Verwante bepalingen
- WIB92:23 — volgens zijn tekst zijn beroepsinkomsten onder meer 1° winst en 2° baten.
- KB-WIB92:200, KB-WIB92:201, KB-WIB92:202, KB-WIB92:203, WIB92:2, WIB92:65, WIB92:178, WIB92:359 en WIB92:360 — begrippen; hun definitie zit niet in de gegevens.
Wat de wet niet regelt
Dit artikel zegt niet welke voorwaarden de betreffende gemeenschap aan de opvangplaatsen stelt.
Toon de officiële wettekst
Officiële wettekst
De sommen die een belastingplichtige, die in artikel 23, § 1, 1° en 2°, vermelde winst of baten verkrijgt, werkelijk heeft betaald ten gunste van een collectieve voorziening voor kinderdagopvang, worden onder de volgende voorwaarden als beroepskosten aangemerkt: 1° de opvangvoorziening is erkend, vergund of gesubsidieerd door Opgroeien regie, het Office de la naissance et de l'enfance of de regering van de Duitstalige Gemeenschap; 2° de sommen zijn rechtstreeks of door tussenkomst van de in 1° vermelde bevoegde instelling aan de opvangvoorziening gestort overeenkomstig de toepasselijke reglementering van de betreffende gemeenschap; 3° de sommen worden door de opvangvoorziening gebruikt om werkingskosten en uitgaven voor infrastructuur of voor uitrusting te financieren die nodig zijn voor het creëren, vanaf 1 januari 2003, van opvangplaatsen voor kinderen van minder dan drie jaar, die voldoen aan de door de betreffende gemeenschap gestelde voorwaarden, of voor het behoud van de aldus gecreëerde plaatsen; 4° de sommen mogen niet worden gebruikt voor de betaling van de normale tussenkomst van de ouders voor de oppas van hun kinderen; 5° de sommen die als beroepskosten in aanmerking kunnen worden genomen, mogen per belastbaar tijdperk niet meer bedragen dan 10.810 euro (geïndexeerd bedrag) per in 3° vermelde opvangplaats; 6° de bevoegde instelling verstrekt jaarlijks per opvangvoorziening aan de belastingplichtige die de sommen heeft gestort, een document waarin ze verklaart dat aan de voorwaarden vermeld in dit artikel is voldaan en waarin ze zowel het bedrag dat is gebruikt voor het creëren of behouden van in 3° vermelde opvangplaatsen, als het aantal desbetreffende plaatsen opgeeft.
Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel opgehaald op 2026-09-28. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus
Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie aj2027; wettekst gecontroleerd op 2026-09-28. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.