WIB 92, Art. 354
Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-29). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.
Uitleg
In één alinea
Dit artikel verlengt, in afwijking van artikel 359, de termijn waarbinnen een belasting of een aanvullende belasting mag worden gevestigd. Is de verschuldigde belasting hoger dan de belasting op de inkomsten en gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten van de artikelen 307 tot 311, dan mag de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd. Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte of bij complexe aangifte is dat vier jaar vanaf dezelfde datum. De wet somt de gevallen op waarin een aangifte als complex wordt beschouwd; daaronder staan de aangifte van een onderneming die een lokaal dossier moet indienen overeenkomstig artikel 321/5, of die een landenrapport moet indienen overeenkomstig artikel 321/2, een aangifte met een verrekening van het in artikel 285 bedoelde forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting, een hybridemismatch, een niet-uitgekeerde winst bedoeld in artikel 185/2, en de aangifte die het bestaan van een juridische constructie moet vermelden. Bij een inbreuk op de bepalingen van het Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, is de termijn zeven jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd. Dezelfde termijnen gelden voor de onroerende voorheffing, de administratieve boete en, voor zover ze niet binnen de in artikel 412 gestelde termijn zijn betaald, de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing. De termijnen worden verlengd bij een boekhouding die niet per kalenderjaar loopt, en bij een bezwaarschrift, een verzoek tot ontheffing van ambtswege of een vordering tot teruggave van de voorheffing, telkens binnen de grenzen die de tekst stelt.
Voor wie
Het toepassingsgebied in de gegevens is "beide". De bepaling staat in de titel over de vestiging en inning van de belastingen, in het hoofdstuk over de aanslag, in de afdeling over de aanslagtermijnen. De verlenging bij boekhouding anders dan per kalenderjaar geldt volgens de tekst voor de vennootschapsbelasting, de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 wordt gevestigd, de roerende voorheffing of de bedrijfsvoorheffing.
Sinds wanneer en overgang
Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.
Rekenvoorbeeld
Deze bepaling bevat drempels, geen tarief om mee te rekenen. Symbolisch voor de termijnen: voor het aanslagjaar dat genoemd wordt naar jaar J lopen de termijnen vanaf 1 januari van jaar J. Is de verschuldigde belasting hoger dan die op een aangifte die aan de vorm- en termijnvereisten voldoet, dan is de termijn drie jaar; bij niet-aangifte, laattijdige overlegging of complexe aangifte vier jaar; bij een inbreuk met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden zeven jaar. Wordt anders dan per kalenderjaar geboekt en sluit het boekjaar in de loop van jaar J af op datum A, dan wordt de termijn, voor de belastingen die de tekst daarvoor noemt, verlengd met het tijdperk tussen 1 januari van jaar J en A. Een bezwaarschrift ingediend binnen de termijn van de eerste paragraaf verlengt die termijn met de tijd tussen de indiening en de beslissing, zonder dat die verlenging meer dan zes maanden mag bedragen.
Veelgemaakte fouten
- De termijnen laten lopen vanaf de indiening van de aangifte. De wet laat ze lopen vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd, met de verlenging bij boekhouding anders dan per kalenderjaar.
- Denken dat de termijn van drie jaar ook geldt bij niet-aangifte of laattijdige overlegging. Dan is de termijn vier jaar, net als bij een complexe aangifte.
- Het begrip complexe aangifte zelf invullen. De wet somt de gevallen op; bij inlichtingen uit het buitenland over informatie van platformexploitanten geldt bijvoorbeeld de voorwaarde dat het betrokken bedrag voor een bepaalde belastingplichtige minimaal 25.000 euro bedraagt.
- Denken dat de verlenging bij bezwaar onbeperkt is. Ze mag niet meer dan zes maanden bedragen, en de tekst koppelt ze aan een bezwaarschrift of een verzoek tot ontheffing van ambtswege ingediend binnen de in de eerste paragraaf bedoelde termijn.
- De roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing altijd onder deze termijnen brengen. De tekst doet dat voor zover ze niet binnen de in artikel 412 gestelde termijn zijn betaald.
De tekst van laag 1 bevat aan het einde van de eerste paragraaf weglatingstekens "(...) (...)"; wat daar stond, zit niet in de gegevens.
Verwante bepalingen
- WIB92:359 — het aanslagjaar begint op 1 januari en eindigt op de daaropvolgende 31ste december; de voor een aanslagjaar verschuldigde belasting kan op geldige wijze gevestigd worden tot 30 juni van het jaar dat volgt op dat waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd. Ook een begrip in de gegevens.
- WIB92:307 — regelt de aangifte; § 1/2 betreft onder meer de aangifte van betalingen aan personen of vaste inrichtingen in bepaalde Staten, § 1/1 en § 1/3 de vermelding van het bestaan van een juridische constructie.
- WIB92:311 — de administrateur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of zijn gedelegeerde kan afwijkingen van de in de artikelen 306 en 308 tot 310 gestelde termijnen toestaan, en uitstel verlenen in het geval van ernstige reden of overmacht.
- WIB92:321/5 — een Belgische groepsentiteit dient bij haar aangifte een lokaal dossier in, als ze één van de daar genoemde criteria overschrijdt.
- WIB92:321/2 — de Belgische groepsentiteit die de uiteindelijke moederentiteit van een multinationale groep is, en in de daar genoemde gevallen ook een andere Belgische groepsentiteit, moet een landenrapport indienen.
- WIB92:285 — met de belasting wordt onder de daar gestelde voorwaarden een forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting verrekend.
- WIB92:326/1 — een "meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie" is iedere grensoverschrijdende constructie die ten minste één van de in artikel 326/2 bedoelde wezenskenmerken bezit.
- WIB92:2 — § 1, 16°: een hybridemismatch is een regeling die leidt tot aftrekbare kosten zonder dat daarmee inkomsten overeenstemmen die deel uitmaken van de belastbare inkomsten van de verkrijger, zoals daar nader omschreven. Ook een begrip in de gegevens.
- WIB92:185/2 — winst omvat eveneens de niet-uitgekeerde winst van een buitenlandse vennootschap of inrichting die als gecontroleerde buitenlandse vennootschap of CFC wordt aangemerkt, onder de daar gestelde voorwaarden.
- WIB92:412 — de roerende voorheffing is betaalbaar binnen de vijftien dagen na de toekenning of de betaalbaarstelling van de belastbare inkomsten; voor de bedrijfsvoorheffing gelden de daar genoemde termijnen.
- WIB92:233 — voor belastingplichtigen vermeld in artikel 227, 2°, wordt de belasting gevestigd op het totale bedrag van de winst opgebracht door bemiddeling van Belgische inrichtingen, en op de daar genoemde winst die zonder zulke inrichtingen is opgebracht.
- WIB92:248 — de belasting betreffende de niet in de artikelen 232 tot 234 vermelde inkomsten is gelijk aan de verschillende voorheffingen en aan de in artikel 301 vermelde bijzondere aanslag die op die inkomsten betrekking hebben.
- KB-WIB92:200, KB-WIB92:201, KB-WIB92:202, KB-WIB92:203, WIB92:65, WIB92:178 en WIB92:360 — begrippen; hun definitie zit niet in de gegevens.
Wat de wet niet regelt
Dit artikel omschrijft zelf niet wanneer er sprake is van bedrieglijk opzet of van het oogmerk te schaden.
Toon de officiële wettekst
Officiële wettekst
§ 1. Wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311, mag de belasting of de aanvullende belasting, in afwijking van artikel 359 worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting is verschuldigd. Bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte of bij complexe aangifte, mag de belasting of de aanvullende belasting, in afwijking van artikel 359 worden gevestigd gedurende vier jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting is verschuldigd. Een aangifte wordt als complex beschouwd in de volgende gevallen: - wanneer de aangifte een onderneming betreft die een lokaal dossier moet indienen overeenkomstig artikel 321/5; - wanneer de aangifte een onderneming betreft die onderworpen is aan de verplichting tot het indienen van een landenrapport overeenkomstig artikel 321/2; - wanneer, overeenkomstig artikel 307, § 1/2, de aangifte vergezeld moet gaan van een formulier waarop de betalingen zijn vermeld die tijdens het belastbaar tijdperk rechtstreeks of onrechtstreeks zijn gedaan aan personen of vaste inrichtingen gevestigd in bepaalde staten die door het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen in belastingaangelegenheden, worden aangemerkt als een Staat die niet effectief of substantieel de standaard op het gebied van transparantie en uitwisseling van inlichtingen op verzoek toepast, voorkomt op de lijst van Staten zonder of met een lage belasting of opgenomen in de lijst van de EU niet-coöperatieve rechtsgebieden; - wanneer in de aangifte in de roerende voorheffing vrijstellingen, verzakingen of verminderingen zijn opgenomen die worden toegekend op basis van een overeenkomst tot vermijding van dubbele belasting, of één van de voordelen van Richtlijn 2011/96/EU of Richtlijn 2003/49/EG inzake roerende voorheffing aan een inwoner van ander lidstaat van de Europese Unie toekennen; - wanneer de aangifte een verrekening bevat van het in artikel 285 bedoelde forfaitair gedeelte van de buitenlandse belasting; - wanneer over de aangifte inlichtingen werden ontvangen uit het buitenland, waarvoor een rechtsgrond bestaat die het uitwisselen van inlichtingen regelt in verband met een belasting waarop die rechtsgrond van toepassing is, en waarbij de inlichtingen betrekking hebben op: a) meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies als bedoeld in artikel 326/1; b) informatie van platformexploitanten, op voorwaarde dat het betrokken bedrag voor een bepaalde belastingplichtige minimaal 25.000 euro bedraagt; - het betreft een hybridemismatch als bedoeld in artikel 2, § 1, 16°; - het betreft een niet-uitgekeerde winst bedoeld in artikel 185/2; - wanneer, overeenkomstig artikel 307, § 1/1, of § 1/3, de aangifte het bestaan van een juridische constructie moet vermelden. (...) (...) § 2. In afwijking van de termijnen bedoeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, mag de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd gedurende zeven jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting verschuldigd is in geval van inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. § 3. De onroerende voorheffing, de administratieve boete en, voor zover ze niet binnen de artikel 412 gestelde termijn zijn betaald, de roerende voorheffing en de bedrijfsvoorheffing mogen eveneens worden gevestigd binnen de termijn bepaald in de paragrafen 1 en 2. § 4. Wanneer de belastingplichtige anders dan per kalenderjaar boekhoudt, wordt voor de toepassing van de vennootschapsbelasting, de belasting van niet-inwoners die overeenkomstig de artikelen 233 en 248 wordt gevestigd, de roerende voorheffing of de bedrijfsvoorheffing, de in paragrafen 1 en 2 bedoelde termijn verlengd met eenzelfde tijdperk als dat welke is verlopen tussen 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd en de datum van afsluiting van het boekjaar in de loop van hetzelfde jaar. § 5. Wanneer de belastingplichtige, diens echtgeno(o)t(e) op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd of de medeschuldenaar zoals bedoeld in artikel 2 van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen, binnen de in de eerste paragraaf bedoelde termijn, overeenkomstig de artikelen 366 tot 371 een bezwaarschrift of een verzoek tot ontheffing van ambtswege overeenkomstig artikel 376 heeft ingediend, wordt die termijn verlengd met een tijdperk dat gelijk is aan de tijd die is verlopen tussen de datum van het indienen van het bezwaarschrift en die van de beslissing van de adviseur-generaal of de gedelegeerde ambtenaar, zonder dat die verlenging meer dan zes maanden mag bedragen. Wanneer een belastingplichtige een vordering tot teruggave van de voorheffing op basis van artikel 368/1 binnen de termijn van drie jaar, indient, wordt deze termijn verlengd met een periode gelijk aan deze die tussen de datum van de indiening van de vordering tot teruggave en deze van de beslissing van de adviseur-generaal of van de door hem gedelegeerde ambtenaar zonder dat deze verlenging hoger mag zijn dan zes maanden.
Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel opgehaald op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus
Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie aj2027; wettekst gecontroleerd op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.