WIB 92, Art. 344
Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-29). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.
Uitleg
In één alinea
Deze bepaling bevat twee regels. Ten eerste kan de rechtshandeling, of het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, niet aan de administratie worden tegengeworpen wanneer de administratie door vermoedens of andere in artikel 340 bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik. Fiscaal misbruik is er wanneer de belastingplichtige daarmee één van twee verrichtingen tot stand brengt: 1° een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van het Wetboek of de uitvoeringsbesluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of 2° een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel waarvan de toekenning in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dat voordeel tot doel heeft. De belastingplichtige moet dan bewijzen dat zijn keuze door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van inkomstenbelastingen; levert hij dat tegenbewijs niet, dan worden de belastbare grondslag en de belastingberekening hersteld alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden. Ten tweede kan aan de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen evenmin worden tegengeworpen: de verkoop, de cessie of de inbreng van de in de tekst opgesomde titels, rechten of sommen geld, rechtstreeks of onrechtstreeks, aan een in artikel 227 bedoelde belastingplichtige of aan een buitenlandse inrichting waarmee de in België gevestigde belastingplichtige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een of andere band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt, en die krachtens de wetgeving van het land waar zij zijn gevestigd niet aan een inkomstenbelasting zijn onderworpen of ter zake van de inkomsten uit de vervreemde goederen en rechten aldaar aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling zijn onderworpen dan die waaraan soortgelijke inkomsten in België zijn onderworpen.
Voor wie
Het toepassingsgebied in de gegevens is "beide". De bepaling staat in de titel over de vestiging en inning van de belastingen, in het hoofdstuk over de bewijsmiddelen van de administratie. De eerste regel betreft de belastingplichtige die een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen stelt; de tweede regel betreft de in België gevestigde belastingplichtige die de genoemde goederen, rechten of sommen geld overdraagt of inbrengt.
Sinds wanneer en overgang
Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.
Rekenvoorbeeld
Deze bepaling bevat geen bedrag of percentage. De enige verhouding in de tekst is een drempel: de tweede regel is niet van toepassing als de belastingplichtige bewijst dat de verrichting wordt verricht met een onderneming die onderworpen is aan een effectieve inkomstenbelasting die minstens gelijk is aan de helft van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn als die onderneming in België gevestigd zou zijn.
Veelgemaakte fouten
- Denken dat de belastingplichtige eerst moet aantonen dat er geen misbruik is. De administratie toont eerst aan, door vermoedens of andere in artikel 340 bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden, dat er sprake is van fiscaal misbruik; daarna komt het aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat zijn keuze door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van inkomstenbelastingen.
- Denken dat de rechtshandeling nietig wordt. De tekst zegt dat ze niet aan de administratie kan worden tegengeworpen, en dat de grondslag en de berekening worden hersteld alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.
- De twee vormen van misbruik samen eisen. De tekst noemt ze als alternatieven: 1° "of" 2°.
- De uitzonderingen op de tweede regel over het hoofd zien. Die regel is niet van toepassing als de belastingplichtige bewijst dat de verrichting gebeurt met een onderneming die aan de genoemde effectieve inkomstenbelasting is onderworpen, of als hij door elk bewijsmiddel, met uitzondering van een eed, aantoont dat de verrichting deel uitmaakt van een authentieke verrichting, verricht om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
Verwante bepalingen
- WIB92:340 — de administratie kan alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, met inbegrip van processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën, maar met uitzondering van de eed; de processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
- WIB92:227 — somt op wie aan de belasting van niet-inwoners is onderworpen, onder meer niet-rijksinwoners en buitenlandse vennootschappen.
- KB-WIB92:200, KB-WIB92:201, KB-WIB92:202, KB-WIB92:203, WIB92:2, WIB92:65, WIB92:178, WIB92:359 en WIB92:360 — begrippen; hun definitie zit niet in de gegevens.
Wat de wet niet regelt
Dit artikel omschrijft niet wat een "aanzienlijk gunstigere belastingregeling" precies is.
Toon de officiële wettekst
Officiële wettekst
§ 1. Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of andere in artikel 340 bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik. Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt: 1° een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of 2° een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft. Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van inkomstenbelastingen. Indien de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden. § 2. Aan de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen kan evenmin worden tegengeworpen, de verkoop, de cessie of de inbreng van aandelen, obligaties, schuldvorderingen of andere titels tot vestiging van leningen, auteursrechten en naburige rechten, uitvindingsoctrooien, fabricageprocédés, fabrieks- of handelsmerken of andere soortgelijke rechten of sommen geld, rechtstreeks of onrechtstreeks, aan een in artikel 227 bedoelde belastingplichtige of aan een buitenlandse inrichting waarmee de in België gevestigde belastingplichtige zich rechtstreeks of onrechtstreeks in een of andere band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt en die krachtens de bepalingen van de wetgeving van het land waar zij zijn gevestigd, niet aan een inkomstenbelasting is onderworpen of ter zake van de inkomsten uit de vervreemde goederen en rechten aldaar aan een aanzienlijk gunstigere belastingregeling is onderworpen dan die waaraan soortgelijke inkomsten in België zijn onderworpen. Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige kan bewijzen dat de verrichting wordt verricht met een onderneming die onderworpen is aan een effectieve inkomstenbelasting die minstens gelijk is aan de helft van de inkomstenbelasting die verschuldigd zou zijn indien deze onderneming in België gevestigd zou zijn. Het eerste lid is niet van toepassing indien de belastingplichtige door elk bewijsmiddel, met uitzondering van een eed, aantoont dat de verrichting deel uitmaakt van een authentieke verrichting in die zin dat ze is verricht om geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen.
Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel opgehaald op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus
Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie aj2027; wettekst gecontroleerd op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.