Theca Wetboek

Het Belgische boekhoud- en fiscaal recht, artikel per artikel uitgelegd.

Onofficiële uitgave met de officiële wettekst; alleen het Belgisch Staatsblad is authentiek.

WIB 92, Art. 34

Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-28). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.

Uitleg

In één alinea

Dit artikel omschrijft wat pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen omvatten, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend. Het gaat om pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, en als zodanig geldende toelagen, die worden toegekend in het kader van een wettelijke sociale beschermingsregeling of rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een beroepswerkzaamheid, of die het gehele of gedeeltelijke herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uitmaken. Daarnaast gaat het om kapitalen, afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten, pensioenen, aanvullende pensioenen en renten die geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van de bijdragen en premies die de wet opsomt, zoals persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood, werkgeversbijdragen, bijdragen en premies voor een aanvullend pensioen als bedoeld in de wet van 28 april 2003, en bijdragen en premies voor een vrij aanvullend pensioen voor werknemers. Ook de aanvullende pensioenen voor zelfstandigen uit de programmawet van 24 december 2002 en uit de wet van 18 februari 2018, en de inkomsten uit pensioensparen ingevolge artikel 145⁸ vallen eronder. Tot de inkomsten uit pensioensparen behoren spaartegoeden op een collectieve of individuele spaarrekening, pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden van een spaarverzekering, en bepaalde overdrachten. Het belastbare bedrag van de spaartegoeden is het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie, tegen een rentevoet van 4,75 % per jaar, van het totale bedrag van de op de spaarrekening ingeschreven nettosommen die als belastingvermindering in aanmerking zijn genomen. Niet behandeld: de verplichting tot inlichting die de Koning aan bepaalde instellingen kan opleggen, en de afkoopwaarden die worden uitbetaald door een garantiefonds of door een vereffenaar of curator wanneer de verzekeringsonderneming in gebreke is gebleven.

Voor wie

Toepassingsgebied: personenbelasting. Het artikel gaat over de verkrijgers van pensioenen, renten, als zodanig geldende toelagen, kapitalen en afkoopwaarden, en van inkomsten uit pensioensparen. Voor de in artikel 32, eerste lid, bedoelde bedrijfsleiders die zijn tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst, moet het begrip "werkgeversbijdragen" worden vervangen door "bijdragen van de onderneming".

Sinds wanneer en overgang

Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.

Rekenvoorbeeld

Symbolisch, met S het totale bedrag van de op de spaarrekening ingeschreven nettosommen die als belastingvermindering in aanmerking zijn genomen: het belastbare bedrag van de spaartegoeden is het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie van S tegen een rentevoet van 4,75 % per jaar. De wet werkt de kapitalisatie zelf niet verder uit; daarom volgt hier geen uitgewerkte berekening. De Koning kan die rentevoet aanpassen ten gevolge van een wijziging van de technische voet van 4,75 % in het koninklijk besluit van 5 juli 1985 betreffende de levensverzekeringsactiviteit.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat alleen een wettelijk pensioen onder dit artikel valt. De wet noemt ook renten, toelagen, kapitalen en afkoopwaarden die geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door de opgesomde bijdragen en premies, en de inkomsten uit pensioensparen.
  • Een kapitaal uit een levensverzekering of spaarverzekering die diende voor het wedersamenstellen of waarborgen van een lening voor een onroerend goed, bij overlijden altijd bij de begunstigde belasten. Tot het bedrag dat dient voor het wedersamenstellen of waarborgen van die lening is het belastbaar bij de personen die ingevolge het overlijden de volle eigendom of het vruchtgebruik verwerven van het onroerend goed waarvoor de lening is gesloten en waarvan de verzekerde volle eigenaar was, en in alle andere gevallen bij de erfgenamen van de verzekerde; alleen het eventuele saldo is belastbaar bij de in het contract vermelde begunstigde.
  • De overdrachten tussen spaarrekeningen en spaarverzekeringen vergeten. De wet rekent bepaalde gedeeltelijke en volledige overdrachten tot de inkomsten uit pensioensparen, en ook overdrachten naar een pensioenspaarrekening of spaarverzekering die niet voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 145⁸ tot 145¹⁶.

Verwante bepalingen

  • WIB92:32 — volgens zijn tekst zijn bezoldigingen van bedrijfsleiders alle beloningen aan een natuurlijk persoon die een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefent, of in de vennootschap een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard, uitoefent buiten een arbeidsovereenkomst.
  • WIB92:38 — volgens zijn tekst zijn onder meer vrijgesteld, onder 18° en 19°, bepaalde voordelen die voor werknemers en bedrijfsleiders voortvloeien uit de betaling van bijdragen en premies als bedoeld in artikel 52, 3°, b. Pensioenen die met zulke bijdragen en premies zijn gevormd, vallen onder dit artikel.
  • WIB92:145^1 — volgens zijn tekst wordt een belastingvermindering verleend op onder meer, onder 2°, bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract heeft betaald, en, onder 5°, betalingen voor het pensioensparen.
  • WIB92:145^8 — volgens zijn tekst komen voor de vermindering in het kader van het pensioensparen de betalingen in aanmerking die definitief zijn gedaan voor het aanleggen van een collectieve of individuele spaarrekening of als premie van een spaarverzekering.
  • WIB92:145^16 — volgens zijn tekst worden voor de toepassing van het pensioensparen en van artikel 34, § 1, 3°, de begrippen collectieve spaarrekening, individuele spaarrekening en spaarverzekering omschreven.
  • KB-WIB92:200, KB-WIB92:201, KB-WIB92:202, KB-WIB92:203, WIB92:2, WIB92:65, WIB92:178, WIB92:359 en WIB92:360 — begrippen; hun definitie zit niet in de gegevens.

Wat de wet niet regelt

Dit artikel bepaalt niet tegen welk tarief deze inkomsten worden belast.

Toon de officiële wettekst

Officiële wettekst

§ 1. Pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen omvatten, ongeacht de schuldenaar, de verkrijger of de benaming ervan en de wijze waarop ze worden vastgesteld en toegekend: 1° pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede als zodanig geldende toelagen, die worden toegekend in het kader van een wettelijke sociale beschermingsregeling of rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking hebben op een beroepswerkzaamheid; 1°bis pensioenen en lijfrenten of tijdelijke renten, alsmede als zodanig geldende toelagen, die het gehele of gedeeltelijke herstel van een bestendige derving van winst, bezoldigingen of baten uitmaken. 2° kapitalen, afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten, pensioenen, aanvullende pensioenen en renten, die geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van: a) persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden, of werkgeversbijdragen. Wat de in artikel 32, eerste lid, bedoelde bedrijfsleiders betreft die zijn tewerkgesteld buiten een arbeidsovereenkomst, moet de notie "werkgeversbijdragen" voor de toepassing van deze bepaling worden vervangen door de notie "bijdragen van de onderneming"; b) bijdragen en premies voor de vorming van een aanvullend pensioen als bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid, daarin begrepen de aanvullende pensioenen die worden toegekend in uitvoering van een solidariteitstoezegging als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de genoemde wet en de pensioenen die zijn gevormd door middel van bijdragen en premies als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 18° en 19°; c) bijdragen en premies voor de vorming van een aanvullend pensioen als bedoeld in de onder b vermelde wet wanneer die bijdragen zijn gedaan in het kader van een individuele voortzetting van een pensioentoezegging als bedoeld in artikel 33 van dezelfde wet; c/1) bijdragen en premies voor een vrij aanvullend pensioen voor werknemers als bedoeld in titel 2 van de wet van 6 december 2018 tot instelling van een vrij aanvullend pensioen voor de werknemers en houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen; d) bijdragen als vermeld in artikel 145¹, 2°; e) bijdragen waarvoor een gewestelijke belastingvermindering of een gewestelijk belastingkrediet werd verleend. Onder aanvullend pensioen als bedoeld in de wet van 28 april 2003 betreffende de aanvullende pensioenen en het belastingstelsel van die pensioenen en van sommige aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid wordt verstaan het rust- en/of overlevingspensioen bij overlijden van de aangeslotene vóór of na pensionering, of de ermee overeenstemmende kapitaalswaarde, die op basis van de in een pensioenreglement of een pensioenovereenkomst bepaalde verplichte stortingen worden toegekend ter aanvulling van een krachtens een wettelijke sociale zekerheidsregeling vastgesteld pensioen; 2°bis aanvullende pensioenen voor zelfstandigen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 4, van de programmawet van 24 december 2002; 2°ter aanvullende pensioenen van zelfstandigen als bedoeld in titel II van de wet van 18 februari 2018 houdende diverse bepalingen inzake aanvullende pensioenen en tot instelling van een aanvullend pensioen voor de zelfstandigen actief als natuurlijke persoon, voor de meewerkende echtgenoten en voor de zelfstandige helpers; 3° inkomsten uit pensioensparen ingevolge artikel 145⁸. § 2. Tot de inkomsten uit pensioensparen behoren: 1° spaartegoeden op een collectieve of individuele spaarrekening; 2° pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden van een spaarverzekering; 3° de volgende overdrachten: - gedeeltelijke overdrachten van tegoeden van spaarrekeningen of van technische reserves van spaarverzekeringen; - volledige overdrachten van tegoeden van een individuele of collectieve spaarrekening naar een spaarverzekering; - volledige overdrachten van technische reserves betreffende een spaarverzekering naar een individuele of collectieve spaarrekening. - niet in de vorige streepjes bedoelde overdrachten wanneer ze worden gedaan naar een individuele of collectieve pensioenspaar-rekening of een spaarverzekering die niet voldoet aan de voorwaarden als vermeld in de artikelen 145⁸ tot 145¹⁶ en in de besluiten die in uitvoering van die bepalingen zijn genomen. De Koning kan aan de in artikel 145¹⁵ vermelde instellingen, die in België gevestigd zijn of die gevestigd zijn in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die, overeenkomstig de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, gemachtigd zijn hun activiteiten op Belgisch grondgebied uit te oefenen door de vestiging van een bijkantoor, de verplichting opleggen om de belastingadministratie in te lichten over inkomsten uit het pensioensparen als bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, en overdrachten als vermeld in het eerste lid, 3°. § 3. Het belastbare bedrag van de in § 2, 1°, vermelde spaartegoeden is gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie, tegen een rentevoet van 4,75 % per jaar, van het totale bedrag van de op de spaarrekening ingeschreven nettosommen die als belastingvermindering in aanmerking zijn genomen. De Koning kan die rentevoet aanpassen ten gevolge van de wijziging van de technische voet van 4,75 %, bepaald in artikel 28, 1°, a, van het koninklijk besluit van 5 juli 1985 betreffende de levensverzekeringsactiviteit. § 4. De kapitalen die voortkomen uit een individueel levensverzekeringscontract of een spaarverzekeringscontract dat heeft gediend voor het wedersamenstellen of waarborgen van een door de verzekerde gesloten lening voor een onroerend goed, en die worden vereffend ingevolge zijn overlijden, zijn belastbaar: 1° tot het bedrag dat dient voor het wedersamenstellen of waarborgen van die lening: - in hoofde van de personen die ingevolge het overlijden van de verzekerde de volle eigendom of het vruchtgebruik van het onroerend goed verwerven waarvoor de lening is gesloten en waarvan de verzekerde op het tijdstip van overlijden volle eigenaar was; - in hoofde van de erfgenamen van de verzekerde in alle andere gevallen; 2° voor het eventuele saldo, in hoofde van de in het contract vermelde begunstigde. § 5. De afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten als bedoeld in § 1, 2°, die zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden, of door bijdragen als vermeld in § 1, 2°, eerste lid, d en e, en de afkoopwaarden van een spaarverzekering als bedoeld in § 2, 2°, omvatten eveneens: 1° de afkoopwaarden bedoeld in artikel 6, § 2, van het koninklijk besluit van 14 november 2008 tot uitvoering van de crisismaatregelen voorzien in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, voor wat betreft de oprichting van het Garantiefonds voor financiële diensten, die worden uitbetaald door het Bijzonder Beschermingsfonds voor deposito's en levensverzekeringen opgericht door het genoemde koninklijk besluit van 14 november 2008, of door een gelijkwaardig garantiefonds gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte; 2° iedere som die door een vereffenaar of een curator wordt uitbetaald aan de verzekeringnemer wanneer is vastgesteld dat de verzekeringsonderneming in gebreke is gebleven, namelijk: a) hetzij wanneer de verzekeringsonderneming failliet is verklaard; b) hetzij wanneer de autoriteit die bevoegd is voor het toezicht van prudentiële aard, het Garantiefonds of een gelijkwaardig Fonds ter kennis heeft gebracht dat zij vastgesteld heeft dat de financiële toestand van de verzekeringsonderneming haar ertoe geleid heeft de terugbetaling van een opeisbaar tegoed te weigeren en haar niet meer in staat stelt om een dergelijk tegoed onmiddellijk of binnen afzienbare termijn terug te betalen.

Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel opgehaald op 2026-09-28. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus

Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie aj2027; wettekst gecontroleerd op 2026-09-28. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.