WIB 92, Art. 333/1
Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-29). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.
Uitleg
In één alinea
Dit artikel regelt de kennisgeving aan de belastingplichtige wanneer de administratie inlichtingen vraagt bij een financiële instelling, en een jaarverslag daarover. In de gevallen bedoeld in de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede lid, stelt de administratie de belastingplichtige in kennis van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking, of van de gegevens op grond waarvan zij meent dat het onderzoek tot een eventuele toepassing van artikel 341 leidt, en die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Die kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief, gelijktijdig met het verzenden van de vraag om inlichtingen. Dat geldt niet als de rechten van de Schatkist in gevaar zijn: dan gebeurt de kennisgeving desgevallend post factum bij een ter post aangetekende brief, uiterlijk 30 dagen na het verzenden van de vraag om inlichtingen. Het geldt evenmin voor de in artikel 322, § 4, bedoelde verzoeken om inlichtingen vanwege een buitenlandse Staat: dan gebeurt de kennisgeving aan de persoon in wiens hoofde het onderzoek wordt gevoerd post factum bij aangetekende zending, uiterlijk 90 dagen na het verzenden van de informatie aan de buitenlandse Staat. De tekst bepaalt vervolgens, "in afwijking van het derde lid", twee gevallen waarin geen kennisgeving post factum gebeurt. Daarnaast bezorgt de belastingadministratie de minister eenmaal per jaar een verslag, dat de Minister van Financiën openbaar maakt en overzendt aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Voor wie
Toepassingsgebied volgens het manifest: beide. In het wetboek staat de bepaling bij de vestiging en inning van de belastingen, bij onderzoek en controle, in de gemene bepalingen inzake recht van onderzoek ten aanzien van de belastingplichtige en van derden. De tekst richt zich tot de administratie en de Minister van Financiën, en betreft de belastingplichtigen over wie inlichtingen bij een financiële instelling worden gevraagd, en de personen in wiens hoofde een buitenlandse Staat een onderzoek voert.
Sinds wanneer en overgang
Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.
Rekenvoorbeeld
Deze bepaling bevat drempels, geen tarief om mee te rekenen. Een voorbeeld met de termijnen uit de tekst: verstuurt de administratie op dag D een vraag om inlichtingen terwijl de rechten van de Schatkist in gevaar zijn, dan gebeurt de kennisgeving desgevallend post factum uiterlijk op dag D + 30. Verzendt ze op dag D informatie aan een buitenlandse Staat na een in artikel 322, § 4, bedoeld verzoek, dan gebeurt de kennisgeving post factum uiterlijk op dag D + 90, tenzij een van de uitzonderingen geldt.
Veelgemaakte fouten
- De kennisgeving pas later versturen in een gewoon geval. De wet bepaalt dat ze gebeurt "gelijktijdig met het verzenden van de voormelde vraag om inlichtingen".
- Bij gevaar voor de rechten van de Schatkist denken dat er nooit een kennisgeving komt. De kennisgeving gebeurt dan desgevallend post factum, uiterlijk 30 dagen na het verzenden van de vraag.
- Bij een verzoek van een buitenlandse Staat de termijn van 30 dagen toepassen. Voor die verzoeken spreekt de tekst van uiterlijk 90 dagen na het verzenden van de informatie aan de buitenlandse Staat.
- De uitzonderingen op de kennisgeving post factum over het hoofd zien. Er gebeurt geen kennisgeving post factum wanneer die buitenlandse Staat aantoont zelf al een kennisgeving te hebben verstuurd, of wanneer uit het verzoek blijkt dat er ernstige aanwijzingen van fiscale fraude zijn en die Staat uitdrukkelijk vraagt de persoon niet in kennis te stellen; in dat tweede geval moeten beide elementen aanwezig zijn.
Verwante bepalingen
- WIB92:322 — volgens zijn tekst mag de administratie, wat een bepaalde belastingplichtige betreft, onder meer geschreven attesten inzamelen, derden horen, een onderzoek instellen en van natuurlijke of rechtspersonen en van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid inlichtingen vorderen.
- WIB92:327 — volgens zijn tekst zijn de bestuursdiensten van de Staat en de andere daar genoemde besturen en openbare instellingen gehouden een ambtenaar belast met de vestiging van de belastingen op zijn verzoek inlichtingen en inzage te verstrekken; die regel is niet van toepassing op de naamloze vennootschap van publiek recht bpost, maar blijft wel van toepassing in de gevallen en onder de voorwaarden bedoeld in de artikelen 318, tweede lid, en 322, §§ 2 tot 4.
- WIB92:341 — volgens zijn tekst mag, behoudens tegenbewijs, de raming van de belastbare grondslag worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten.
- WIB92:318 — volgens zijn tekst is de administratie niet gemachtigd in de rekeningen, boeken en documenten van de bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten, tenzij het daar beschreven onderzoek concrete elementen aan het licht brengt die het bestaan of de voorbereiding van een mechanisme van belastingontduiking kunnen doen vermoeden.
- KB-WIB92:200, KB-WIB92:201, KB-WIB92:202, KB-WIB92:203, WIB92:2, WIB92:65, WIB92:178, WIB92:359 en WIB92:360 — begrippen; hun definitie zit niet in de gegevens.
Wat de wet niet regelt
Dit artikel bepaalt niet wanneer de administratie inlichtingen bij een financiële instelling mag vragen; het regelt de kennisgeving daarvan aan de belastingplichtige en het jaarverslag.
Toon de officiële wettekst
Officiële wettekst
§ 1. In de gevallen bedoeld in de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede lid, stelt de administratie de belastingplichtige in kennis van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking of van de gegevens op grond waarvan zij meent dat het gevoerde onderzoek tot een eventuele toepassing van artikel 341 leidt en die een vraag om inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Deze kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief gelijktijdig met het verzenden van de voormelde vraag om inlichtingen. Het eerste lid is niet van toepassing als de rechten van de Schatkist in gevaar zijn. De kennisgeving gebeurt desgevallend post factum bij een ter post aangetekende brief, uiterlijk 30 dagen na het verzenden van de in het eerste lid vermelde vraag om inlichtingen. Het eerste lid is niet van toepassing op de in artikel 322, § 4, bedoelde verzoeken om inlichtingen vanwege een buitenlandse Staat. De kennisgeving aan de persoon in wiens hoofde het onderzoek door de buitenlandse Staat wordt gevoerd, gebeurt in dit geval post factum bij aangetekende zending uiterlijk 90 dagen na het verzenden van de informatie aan de buitenlandse Staat. In afwijking van het derde lid gebeurt geen kennisgeving post factum: 1° wanneer die buitenlandse Staat aantoont zelf reeds een kennisgeving aan de persoon in wiens hoofde het onderzoek wordt gevoerd, te hebben verstuurd; 2° wanneer uit het verzoek om inlichtingen van die buitenlandse Staat blijkt dat er ernstige aanwijzingen van fiscale fraude zijn en deze buitenlandse Staat uitdrukkelijk vraagt om de persoon in wiens hoofde het onderzoek wordt gevoerd niet in kennis te stellen van deze vraag. § 2. De belastingadministratie bezorgt de minister eenmaal per jaar een verslag dot onder meer de volgende informatie bevat: 1° het aantal keer dat in overeenstemming met artikel 318, tweede lid, een onderzoek is gevoerd bij financiële instellingen en gegevens zijn gebruikt met het oog op het belasten van hun cliënten; 2° het aantal keren dat in overeenstemming met de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede lid, een onderzoek is gevoerd en gegevens zijn opgevraagd bij financiële instellingen; 3° de concrete aanwijzingen, opgedeeld in categorieën, waardoor de personen bedoeld in artikel 322, § 2, tweede lid, zich hebben laten leiden bij hun beslissing om een machtiging te verlenen; 4° het aantal positieve en negatieve beslissingen van de directeuren; 5° een globale evaluatie, zowel op technisch vlak als op juridisch vlak van de wijze waarop de procedure volgens de artikelen 322, §§ 2 tot 4 en 327, § 3, tweede lid is gevoerd. Dit verslag wordt openbaar gemaakt door de Minister van Financiën en overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel opgehaald op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus
Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie aj2027; wettekst gecontroleerd op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.