Theca Wetboek

Het Belgische boekhoud- en fiscaal recht, artikel per artikel uitgelegd.

Onofficiële uitgave met de officiële wettekst; alleen het Belgisch Staatsblad is authentiek.

WIB 92, Art. 289ter

Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-29). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.

Uitleg

In één alinea

Dit artikel geeft de rijksinwoner een belastingkrediet op zijn activiteitsinkomsten, op voorwaarde dat zijn totale netto-inkomen van het belastbare tijdperk niet meer bedraagt dan een geïndexeerde grens. De activiteitsinkomsten zijn het nettobedrag van de beroepsinkomsten, verminderd met: 1° de in artikel 23, § 1, 5°, vermelde inkomsten; 2° de bezoldigingen uit artikel 30, 1°, verworven door andere belastingplichtigen dan personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten in de overheidssector, en die uit artikel 30, 2°, wat de bedrijfsleiders betreft die bedoeld zijn in artikel 32, eerste lid, 1°, en die tewerkgesteld zijn in dienstverband; 3° de vergoedingen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van inkomsten; 4° de beroepsinkomsten die overeenkomstig artikel 171 afzonderlijk worden belast; 5° de winst, baten en bezoldigingen uit artikel 30, 2°, die voor het sociaal statuut van de zelfstandigen als inkomsten van een bijberoep of van een student-zelfstandige worden beschouwd. Er is pas recht op het krediet als de activiteitsinkomsten hoger zijn dan een geïndexeerde ondergrens. Het krediet loopt eerst op tussen die ondergrens en een tweede grens, is dan een vast geïndexeerd bedrag tot een derde grens, en loopt daarna af tot een bovengrens die even hoog is als de grens voor het totale netto-inkomen. Bestaan de beroepsinkomsten slechts gedeeltelijk uit activiteitsinkomsten, dan wordt het krediet verhoudingsgewijs verminderd; ligt het totale netto-inkomen tussen de derde grens en de bovengrens, dan geldt een extra plafond. Voor meewerkende echtgenoten als bedoeld in artikel 33, eerste lid, en voor werknemers die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten in de overheidssector, wordt het vaste bedrag telkens door een ander geïndexeerd bedrag vervangen. De artikelen 174/1 en 178, § 3, eerste lid, 2°, zijn van toepassing op de bedragen van dit artikel. De wettekst vermeldt bij elk bedrag "geïndexeerd bedrag".

Voor wie

Het toepassingsgebied in de gegevens is "beide". De bepaling staat in de titel met de aan de vier belastingen gemene bepalingen, in het hoofdstuk over de verrekening van de voorheffingen, in de onderafdeling over het belastingkrediet voor belastingplichtigen - natuurlijke personen. De tekst verleent het krediet aan de rijksinwoner, en ook aan de in artikel 227, 1°, vermelde belastingplichtige voor wie de belasting overeenkomstig artikel 243/1 of 244 wordt berekend; voor die laatste wordt voor de voorwaarden en de berekening het geheel van de binnen- en buitenlandse inkomsten in aanmerking genomen.

Sinds wanneer en overgang

Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.

Rekenvoorbeeld

Bedrag jaarlijks geïndexeerd; zie het FOD-bericht.

Alleen de opbouw, symbolisch en zonder bedragen: noem de ondergrens O, de tweede grens M, de derde grens D, de bovengrens G en het vaste bedrag K, telkens zoals geïndexeerd. Voor activiteitsinkomsten A boven O en niet boven M is het krediet K × (A − O) / (M − O); boven M en niet boven D is het K; boven D en niet boven G is het K × (G − A) / (G − D). Elk resultaat wordt op hele centen afgerond.

Veelgemaakte fouten

  • Het krediet berekenen op het volledige nettobedrag van de beroepsinkomsten. De grondslag zijn de activiteitsinkomsten, dus na aftrek van de vijf categorieën die de wet opsomt.
  • De verhoudingsgewijze vermindering vergeten wanneer de beroepsinkomsten slechts gedeeltelijk uit activiteitsinkomsten bestaan.
  • Het extra plafond op basis van het totale netto-inkomen overslaan wanneer dat inkomen tussen de derde grens en de bovengrens ligt.
  • Bij een gemeenschappelijke aanslag de echtgenoten samen nemen. Het krediet, de inkomsten en de grenzen worden per belastingplichtige berekend vóór toepassing van de artikelen 86 tot 89.
  • Het krediet toekennen aan een belastingplichtige wiens belastbare winst of baten bij toepassing van artikel 342, § 3, worden bepaald. Die krijgt geen krediet.
  • Het krediet toekennen aan een meewerkende echtgenoot als bedoeld in artikel 33, eerste lid, wiens bezoldigingen voortkomen uit een activiteitsinkomen dat niet in aanmerking komt, of dat wordt toegekend door een belastingplichtige "als bedoeld in het derde lid". Dan wordt geen krediet verleend.
  • Voor meewerkende echtgenoten en voor werknemers die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten in de overheidssector het gewone vaste bedrag gebruiken. Voor hen vervangt de wet dat bedrag telkens door een ander bedrag.
  • De bedragen uit de wettekst gebruiken zonder te kijken naar het geldende geïndexeerde bedrag.

Verwante bepalingen

  • WIB92:23 — § 1, 5°: pensioenen, renten en als zodanig geldende toelagen zijn beroepsinkomsten; § 2 omschrijft het nettobedrag van beroepsinkomsten.
  • WIB92:30 — bezoldigingen omvatten 1° bezoldigingen van werknemers, 2° bezoldigingen van bedrijfsleiders en 3° bezoldigingen van meewerkende echtgenoten.
  • WIB92:32 — omschrijft de bezoldigingen van bedrijfsleiders; eerste lid, 1°: wie een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefent.
  • WIB92:33 — omschrijft de bezoldigingen van meewerkende echtgenoten.
  • WIB92:171 — somt inkomsten op die afzonderlijk belastbaar zijn, onder het voorbehoud dat daar staat.
  • WIB92:342 — § 3: bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte zijn de door de Koning vastgestelde belastbare minima eveneens van toepassing op elke onderneming en beoefenaar van een vrij beroep.
  • WIB92:86 en WIB92:89 — regelen het meewerkinkomen bij een gemeenschappelijke aanslag en de toekenning of toerekening van een deel van de beroepsinkomsten aan de echtgenoot.
  • WIB92:227 — 1°: niet-rijksinwoners zijn aan de belasting van niet-inwoners onderworpen.
  • WIB92:243/1 en WIB92:244 — regelen, in afwijking van artikel 243, hoe de belasting in de daar omschreven gevallen wordt berekend.
  • WIB92:174/1 — wanneer het belastbare tijdperk om een andere reden dan overlijden niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar, worden de daar vermelde bedragen verminderd in verhouding tot de duur van het belastbare tijdperk en afgerond.
  • KB-WIB92:200, KB-WIB92:201, KB-WIB92:202, KB-WIB92:203, WIB92:2, WIB92:65, WIB92:178, WIB92:359 en WIB92:360 — begrippen; hun definitie zit niet in de gegevens.

Wat de wet niet regelt

Dit artikel vermeldt niet welk geïndexeerd bedrag voor een bepaald aanslagjaar geldt.

Toon de officiële wettekst

Officiële wettekst

§ 1. Wanneer het totale netto-inkomen van het belastbare tijdperk niet meer bedraagt dan 29.120 euro (geïndexeerd bedrag) , heeft de rijksinwoner recht op een belastingkrediet waarvan het bedrag wordt bepaald op basis van het bedrag van de activiteitsinkomsten. Het bedrag van de activiteitsinkomsten is gelijk aan het nettobedrag van de beroepsinkomsten verminderd met: 1° de in artikel 23, § 1, 5°, vermelde inkomsten; 2° de bezoldigingen die zijn bedoeld in: - artikel 30, 1°, verworven door belastingplichtigen andere dan personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten in de overheidssector; - artikel 30, 2°, wat de bedrijfsleiders betreft die zijn bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, en die tewerkgesteld zijn in dienstverband; 3° de vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van inkomsten; 4° de beroepsinkomsten die overeenkomstig artikel 171 afzonderlijk worden belast; 5° de winst, baten en in artikel 30, 2° bedoelde bezoldigingen die voor de toepassing van de wetgeving betreffende het sociaal statuut van de zelfstandigen als inkomsten van een bijberoep of van een student-zelfstandige worden beschouwd. Geen belastingkrediet wordt verleend aan de belastingplichtige voor wie de belastbare winst of baten bij toepassing van artikel 342, § 3, worden bepaald. Bij een gemeenschappelijke aanslag worden het belastingkrediet, de inkomsten en de grenzen berekend per belastingplichtige vóór toepassing van de artikelen 86 tot 89. Geen belastingkrediet wordt verleend aan de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten wanneer hun bezoldigingen voortkomen uit een activiteitsinkomen dat niet in aanmerking komt voor het belastingkrediet of dat wordt toegekend door een belastingplichtige als bedoeld in het derde lid. § 2. Om recht te geven op een belastingkrediet moet het bedrag van de activiteitsinkomsten hoger zijn dan 6.710 euro (geïndexeerd bedrag) . Het bedrag van het belastingkrediet wordt als volgt bepaald: 1° wanneer het bedrag van de activiteitsinkomsten meer dan 6.710 euro (geïndexeerd bedrag) bedraagt doch niet meer dan 8.960 euro (geïndexeerd bedrag) : 910 euro (geïndexeerd bedrag) vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van de activiteitsinkomsten en 6.710 euro (geïndexeerd bedrag) en de noemer gelijk is aan het verschil tussen 8.960 euro (geïndexeerd bedrag) en 6.710 euro (geïndexeerd bedrag) ; 2° wanneer het bedrag van de activiteitsinkomsten meer dan 8.960 euro (geïndexeerd bedrag) bedraagt doch niet meer dan 22.400 euro (geïndexeerd bedrag) : 910 euro (geïndexeerd bedrag) ; 3° wanneer het bedrag van de activiteitsinkomsten meer dan 22.400 euro (geïndexeerd bedrag) bedraagt doch niet meer dan 29.120 euro (geïndexeerd bedrag) : 910 euro (geïndexeerd bedrag) vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het verschil tussen 29.120 euro (geïndexeerd bedrag) en het bedrag van de activiteitsinkomsten en de noemer gelijk aan het verschil tussen 29.120 euro (geïndexeerd bedrag) en 22.400 euro (geïndexeerd bedrag) . Wanneer de beroepsinkomsten slechts gedeeltelijk uit activiteitsinkomsten bestaan, wordt het belastingkrediet bepaald overeenkomstig het tweede lid verminderd in verhouding tot het gedeelte dat de activiteitsinkomsten vertegenwoordigen ten opzichte van het nettobedrag van de beroepsinkomsten. Wanneer het totale netto-inkomen meer bedraagt dan 22.400 euro (geïndexeerd bedrag) doch niet meer dan 29.120 euro (geïndexeerd bedrag) , kan het belastingkrediet niet meer bedragen dan de uitkomst van de vermenigvuldiging van 910 euro (geïndexeerd bedrag) met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het verschil tussen 29.120 euro (geïndexeerd bedrag) en het bedrag van het totale netto-inkomen en de noemer gelijk aan het verschil tussen 29.120 euro (geïndexeerd bedrag) en 22.400 euro (geïndexeerd bedrag) . In afwijking van de vorige leden wordt het bedrag van 910 euro (geïndexeerd bedrag) telkens vervangen door: 1° het bedrag van 410 euro (geïndexeerd bedrag) voor de in artikel 33, eerste lid, bedoelde meewerkende echtgenoten; 2° het bedrag van 1.000 euro (geïndexeerd bedrag) voor de werknemers die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten in de overheidssector. § 2/1. De in artikel 227, 1°, vermelde belastingplichtige voor wie de belasting overeenkomstig artikel 243/1 of 244 wordt berekend, heeft eveneens recht op het in de vorige paragrafen vermelde belastingkrediet, met dien verstande dat voor de beoordeling van de voorwaarden waaronder het krediet wordt verleend en de berekening ervan het geheel van de binnen- en buitenlandse inkomsten in aanmerking wordt genomen. § 3. De bepalingen van de artikelen 174/1 en 178, § 3, eerste lid, 2°, zijn van toepassing op de in dit artikel vermelde bedragen.

Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel opgehaald op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus

Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie aj2027; wettekst gecontroleerd op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.