WIB 92, Art. 289bis
Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-29). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.
Uitleg
In één alinea
Dit artikel verleent een belastingkrediet van 20 %, met een maximum van 7.500 euro, aan rijksinwoners die winst of baten behalen of verkrijgen als vermeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, en aan de in artikel 227, 1°, vermelde niet-inwoners die winst of baten behalen of verkrijgen als vermeld in artikel 228, § 2, 3° en 4°. De grondslag is het meerdere van het positieve verschil op het einde van het belastbare tijdperk tussen de fiscale waarde van de in artikel 41 vermelde vaste activa en het totale bedrag van de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar die betrekking hebben op de beroepswerkzaamheden die winst of baten opbrengen, ten opzichte van het hoogste bedrag van dat verschil dat op het einde van één van de drie voorafgaande belastbare tijdperken werd bereikt. Vaste activa en schulden tellen niet mee in de mate dat ze verband houden met werkzaamheden die inkomsten opbrengen waarvoor artikel 155 of 156 kan worden toegepast. Het krediet wordt maar verleend als de belastingplichtige bij zijn aangifte een attest voegt dat bevestigt dat hij in orde is met de betaling van zijn sociale zekerheidsbijdragen als zelfstandige, waarvan het model wordt vastgesteld door de Minister die bevoegd is voor het sociaal statuut van de zelfstandigen. Daarnaast moet hij, om recht te hebben op het krediet, bij zijn aangifte voor het aanslagjaar waarvoor hij de verrekening vraagt een ingevulde, gedagtekende en ondertekende opgave voegen, naar het model dat de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde vaststelt. Artikel 174/1 is van toepassing op het bedrag van het eerste lid van paragraaf 1.
Voor wie
Het toepassingsgebied in de gegevens is "beide". De bepaling staat in de titel met de aan de vier belastingen gemene bepalingen, in het hoofdstuk over de verrekening van de voorheffingen, in de onderafdeling over het belastingkrediet voor belastingplichtigen - natuurlijke personen. De tekst noemt twee groepen: rijksinwoners met winst of baten als vermeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, en de in artikel 227, 1°, vermelde niet-inwoners met winst of baten als vermeld in artikel 228, § 2, 3° en 4°.
Sinds wanneer en overgang
Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.
Rekenvoorbeeld
Symbolisch. Stel dat het positieve verschil tussen de fiscale waarde van de vaste activa en de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar op het einde van het belastbare tijdperk V is, en dat het hoogste bedrag van dat verschil op het einde van één van de drie voorafgaande belastbare tijdperken H was. Het meerdere is V − H. Het belastingkrediet is (V − H) × 20 %, afgerond op hele centen, met een maximum van 7.500 euro: komt (V − H) × 20 % hoger uit dan 7.500 euro, dan blijft het krediet 7.500 euro. Bij een gemeenschappelijke aanslag worden het percentage, het bedrag en de grens per echtgenoot beoordeeld. Is V niet hoger dan H, dan is er geen meerdere en dus geen krediet.
Veelgemaakte fouten
- Het krediet berekenen op het volledige verschil tussen vaste activa en schulden. De grondslag is alleen het meerdere ten opzichte van het hoogste bedrag van dat verschil op het einde van één van de drie voorafgaande belastbare tijdperken.
- Alle schulden meetellen. Het gaat om schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar die betrekking hebben op uitgeoefende beroepswerkzaamheden die winst of baten opbrengen.
- Het attest over de sociale zekerheidsbijdragen of de opgave vergeten. Het verlenen van het krediet is aan het attest onderworpen, en de opgave moet bij de aangifte gevoegd worden om recht te hebben op het krediet.
- Bij een gemeenschappelijke aanslag het maximum van 7.500 euro één keer toepassen voor beide echtgenoten samen. De wet beoordeelt percentage, bedrag en grens per echtgenoot.
- Bij een voortzetting of inbreng als vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° en 3°, opnieuw van nul beginnen. Het krediet wordt dan bepaald alsof er geen verandering van belastingplichtige is geweest.
- Voor een in artikel 227, 1°, vermelde niet-inwoner het krediet toekennen terwijl de belasting niet berekend is overeenkomstig artikel 243/1 of 244. Het krediet wordt enkel dan verleend, en er wordt rekening gehouden met de vaste activa en schulden die verband houden met de werkzaamheden die in de belasting niet-inwoners belastbare inkomsten opleveren.
Verwante bepalingen
- WIB92:23 — beroepsinkomsten zijn inkomsten uit werkzaamheden van alle aard, met name 1° winst en 2° baten, naast andere categorieën.
- WIB92:227 — aan de belasting van niet-inwoners zijn onder meer onderworpen: 1° niet-rijksinwoners, met inbegrip van de in artikel 4 vermelde personen.
- WIB92:228 — § 2, 3° omvat winst opgebracht door bemiddeling van Belgische inrichtingen als vermeld in artikel 229 (en bepaalde winst zelfs zonder zulke inrichting); 4° de baten als vermeld in artikel 23, § 1, 2°, die voortkomen uit een in België uitgeoefende werkzaamheid.
- WIB92:41 — somt de vaste activa op die geacht worden voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid te worden gebruikt.
- WIB92:155 — inkomsten die krachtens internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting zijn vrijgesteld, komen in aanmerking voor het bepalen van de belasting, maar die wordt verminderd naar de verhouding tussen de vrijgestelde inkomsten en het geheel van de inkomsten.
- WIB92:156 — het deel van de belasting dat evenredig overeenstemt met onder meer in het buitenland behaalde en belaste beroepsinkomsten, wordt tot de helft verminderd, met de uitzonderingen die daar staan.
- WIB92:46 — § 1, eerste lid: stopzettingsmeerwaarden worden volledig maar tijdelijk vrijgesteld bij voortzetting door de echtgenoot of door erfgenamen of erfgerechtigden in de rechte lijn (1°), bij inbreng tegen aandelen (2°) en bij inbreng in een vennootschap erkend als landbouwonderneming (3°).
- WIB92:243/1 en WIB92:244 — regelen, in afwijking van artikel 243, de berekening van de belasting voor een belastingplichtige wiens in België belastbare beroepsinkomsten een in die artikelen bepaald minimumaandeel vormen van het geheel van zijn binnenlandse en buitenlandse beroepsinkomsten (artikel 244 voor een inwoner van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte).
- WIB92:174/1 — wanneer het belastbare tijdperk om een andere reden dan overlijden niet overeenstemt met een volledig kalenderjaar, worden de daar vermelde bedragen verminderd in verhouding tot de duur van het belastbare tijdperk en afgerond.
- KB-WIB92:200, KB-WIB92:201, KB-WIB92:202, KB-WIB92:203, WIB92:2, WIB92:65, WIB92:178, WIB92:359 en WIB92:360 — begrippen; hun definitie zit niet in de gegevens.
Wat de wet niet regelt
Dit artikel legt zelf de inhoud van het attest en van de opgave niet vast; het laat het model aan de bevoegde minister.
Toon de officiële wettekst
Officiële wettekst
§ 1. Aan rijksinwoners die winst of baten behalen of verkrijgen als vermeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, en in artikel 227, 1°, vermelde niet-inwoners die winst of baten behalen of verkrijgen als vermeld in artikel 228, § 2, 3° en 4°, wordt een belastingkrediet verleend van 20 % , met een maximum van 7.500 euro , van het meerdere van: - het op het einde van het belastbare tijdperk bestaande positieve verschil tussen de fiscale waarde van de in artikel 41 vermelde vaste activa en het totale bedrag van de schulden met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar die betrekking hebben op uitgeoefende beroepswerkzaamheden die winst of baten opbrengen; - ten opzichte van het op het einde van één van de drie voorafgaande belastbare tijdperken bereikte hoogste bedrag van dit verschil. Voor de berekening van het belastingkrediet wordt geen rekening gehouden met de vaste activa en de schulden in de mate dat die verband houden met werkzaamheden die inkomsten opbrengen waarvoor artikel 155 of 156 kan worden toegepast. Het verlenen van het belastingkrediet is onderworpen aan de voorwaarde dat de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen een attest voegt waarvan het model door de Minister die bevoegd is voor het sociaal statuut van de zelfstandigen wordt vastgesteld en waarbij wordt bevestigd dat hij in orde is met de betaling van zijn sociale zekerheidsbijdragen als zelfstandige. In de gevallen vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° en 3°, wordt het belastingkrediet bepaald alsof er geen verandering van belastingplichtige is geweest. Wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, worden het percentage, het bedrag en de grens bepaald in het eerste lid per echtgenoot beoordeeld. Voor de in artikel 227, 1°, vermelde niet-inwoners, wordt: - het belastingkrediet enkel verleend wanneer de belasting is berekend overeenkomstig artikel 243/1 of 244; - voor de berekening van het belastingkrediet rekening gehouden met de vaste activa en de schulden die verband houden met de werkzaamheden die in de belasting niet-inwoners belastbare inkomsten opleveren. § 2. Artikel 174/1 is van toepassing op het in paragraaf 1, eerste lid, vermelde bedrag. § 3. Om recht te kunnen hebben op het belastingkrediet, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen voor het aanslagjaar waarvoor hij de verrekening vraagt, een ingevulde, gedagtekende en ondertekende opgave voegen, waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.
Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel opgehaald op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus
Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie aj2027; wettekst gecontroleerd op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.