WIB 92, Art. 266
Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-29). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.
Uitleg
In één alinea
Dit artikel machtigt de Koning om, onder de voorwaarden en binnen de grenzen die Hij bepaalt, geheel of ten dele af te zien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten van roerende goederen en kapitalen en van diverse inkomsten. Het is een bevoegdheid ("kan"), geen automatische vrijstelling. De wettekst noemt als gevallen: verkrijgers van wie de identiteit kan worden vastgesteld, of collectieve beleggingsinstellingen naar buitenlands recht zoals omschreven, of effecten aan toonder en gedematerialiseerde effecten waarvan de inkomsten in een van drie categorieën vallen: 1° inkomsten van voor 1 december 1962 uitgegeven effecten die wettelijk van mobiliënbelasting of van zakelijke belastingen zijn vrijgesteld of belast zijn tegen een aanslagvoet van minder dan 21 %; 2° inkomsten uit certificaten van Belgische instellingen voor collectieve belegging; 3° uitgiftepremies met betrekking tot obligaties, kasbons of andere effecten van leningen uitgegeven vanaf 1 december 1962. De zinsbouw rond de collectieve beleggingsinstellingen is in de tekst onduidelijk ("of door collectieve beleggingsinstellingen naar buitenlands recht die een onverdeeld vermogen zijn"); ze wordt hier niet aangevuld. In geen geval kan de Koning afzien van de inning op inkomsten van door effecten vertegenwoordigde leningen waarvan de interest wordt gekapitaliseerd, van bepaalde effecten zonder periodieke uitbetaling van interest die met een disconto worden uitgegeven voor een looptijd van ten minste één jaar, en uit vastgoedcertificaten voor de inkomsten die betrekking hebben op de verwezenlijking van het onderliggend onroerend goed. Voor de eerste twee geldt een uitzondering "indien de schuldenaar en de gerechtigde verbonden vennootschappen zijn die hij definieert". Verder heeft de verzaking geen uitwerking op dividenden die verbonden zijn met een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen waarvan de administratie heeft aangetoond, "tenzij bewijs van het tegendeel", dat ze kunstmatig is en is opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen een van de voordelen die de wet noemt. Niet behandeld: de regel dat "het tweede lid" niet van toepassing is op effecten voortgekomen uit de splitsing van lineaire obligaties uitgegeven door de Belgische Staat; de leden zijn in de tekst niet gemarkeerd.
Voor wie
Toepassingsgebied volgens het manifest: beide. In het wetboek staat de bepaling bij de aan de vier belastingen gemene bepalingen, onder de roerende voorheffing, bij vrijstelling en verzaking van de voorheffing. Ze betreft de verkrijgers van inkomsten van roerende goederen en kapitalen en van diverse inkomsten in de gevallen die de tekst noemt.
Sinds wanneer en overgang
Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.
Rekenvoorbeeld
Deze bepaling bevat drempels, geen tarief om mee te rekenen. Zo gaat het in de eerste categorie om effecten belast tegen een aanslagvoet van minder dan 21 %, en speelt bij het vermoeden van kunstmatigheid een periode van ten minste 60 dagen.
Veelgemaakte fouten
- Deze bepaling lezen als een vrijstelling die rechtstreeks uit de wet volgt. De wet zegt dat de Koning "kan" afzien, "onder de voorwaarden en binnen de grenzen die Hij bepaalt".
- De drie gevallen als cumulatieve voorwaarden lezen. De wet verbindt ze met "of".
- Denken dat de uitsluitingen nooit wijken. Bij gekapitaliseerde interest en bij effecten met disconto geldt de uitzondering als de schuldenaar en de gerechtigde verbonden vennootschappen zijn die de Koning definieert; bij vastgoedcertificaten noemt de wet die uitzondering niet.
- Het vermoeden van kunstmatigheid als onweerlegbaar behandelen. De wet noemt het "een weerlegbaar vermoeden": het geldt wanneer een verkrijger van dividenden waarvan het maatschappelijk doel uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat uit het beheer en het beleggen van fondsen ingezameld om wettelijke of aanvullende pensioenen uit te betalen, de effecten niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste 60 dagen in volle eigendom heeft behouden.
- Een rechtshandeling kunstmatig noemen enkel omdat ze een fiscaal voordeel oplevert. De wet beschouwt ze als kunstmatig "voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen".
Verwante bepalingen
- WIB92:202 — volgens zijn tekst worden van de winst van het belastbare tijdperk mede afgetrokken, in zover zij erin voorkomen, onder meer in 1° dividenden (met de uitzonderingen die dat artikel noemt) en in 2° een bepaald positief verschil bij dividenden waarop de daar genoemde artikelen zijn toegepast.
- KB-WIB92:200, KB-WIB92:201, KB-WIB92:202, KB-WIB92:203, WIB92:2, WIB92:65, WIB92:178, WIB92:359 en WIB92:360 — begrippen; hun definitie zit niet in de gegevens.
Wat de wet niet regelt
Dit artikel bepaalt zelf niet de voorwaarden en grenzen van de verzaking; die laat het aan de Koning.
Toon de officiële wettekst
Officiële wettekst
De Koning kan, onder de voorwaarden en binnen de grenzen die Hij bepaalt, geheel of ten dele afzien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten van roerende goederen en kapitalen en van diverse inkomsten, indien het verkrijgers betreft van wie de identiteit kan worden vastgesteld, of door collectieve beleggingsinstellingen naar buitenlands recht die een onverdeeld vermogen zijn dat wordt beheerd door een beheersvennootschap voor rekening van deelnemers, wanneer hun aandelen in België niet openbaar worden uitgegeven en niet in België worden verhandeld, of effecten aan toonder en gedematerialiseerde effecten waarvan de inkomsten begrepen zijn in één van de volgende categorieën: 1° inkomsten van voor 1 december 1962 uitgegeven effecten die wettelijk van mobiliënbelasting of van zakelijke belastingen zijn vrijgesteld of aan belastingen zijn onderworpen tegen een aanslagvoet van minder dan 21 %; 2° inkomsten uit certificaten van Belgische instellingen voor collectieve belegging; 3° uitgiftepremies met betrekking tot obligaties, kasbons of andere effecten van leningen uitgegeven vanaf 1 december 1962. In geen geval kan hij afzien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten: 1° van door effecten vertegenwoordigde leningen waarvan de interest wordt gekapitaliseerd, behalve indien de schuldenaar en de gerechtigde verbonden vennootschappen zijn die hij definieert; 2° van effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van interest en die worden uitgegeven voor een looptijd van ten minste één jaar met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag van het effect gekapitaliseerde interest, behalve indien de schuldenaar en de gerechtigde verbonden vennootschappen zijn die hij definieert; 3° Uit vastgoedcertificaten, voor wat de toekenningen of betaalbaarstellingen van inkomsten betreft die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de verwezenlijking van het onderliggend onroerend goed. Het tweede lid is niet van toepassing op effecten voortgekomen uit de splitsing van lineaire obligaties uitgegeven door de Belgische Staat. De in het eerste lid bedoelde verzaking van de inning van de roerende voorheffing kan geen uitwerking hebben op dividenden die verbonden zijn met een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen waarvan de administratie, rekening houdend met alle relevante feiten en omstandigheden, heeft aangetoond, tenzij bewijs van het tegendeel, dat deze handeling of dit geheel van handelingen kunstmatig is en is opgezet met als hoofddoel of een van de hoofddoelen de aftrek op de in artikel 202, § 1, 1° en 2°, bedoelde inkomsten, de in het eerste lid bedoelde verzaking op deze inkomsten of één van de voordelen van Richtlijn 2011/96/EU in een andere lidstaat van de Europese Unie te verkrijgen. Een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen wordt als kunstmatig beschouwd voor zover zij niet is opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Het feit dat een verkrijger van dividenden waarvan het maatschappelijk doel uitsluitend of hoofdzakelijk bestaat uit het beheer en het beleggen van fondsen ingezameld met het doel wettelijke of aanvullende pensioenen uit te betalen, de effecten waaruit de dividenden voortkomen niet gedurende een ononderbroken periode van ten minste 60 dagen in volle eigendom heeft behouden, vormt een weerlegbaar vermoeden dat de rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen waarmee de dividenden verbonden zijn, kunstmatig is.
Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel opgehaald op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus
Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie aj2027; wettekst gecontroleerd op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.