WIB 92, Art. 261
Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-27). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.
Uitleg
In één alinea
Artikel 261 bepaalt wie de roerende voorheffing verschuldigd is. De wet somt de schuldenaars op. Eerst (1°) rijksinwoners, binnenlandse vennootschappen, verenigingen, instellingen, inrichtingen en lichamen en rechtspersonen in de rechtspersonenbelasting die inkomsten van roerende goederen en kapitalen verschuldigd zijn, met inbegrip van de inkomstenschijf van artikel 21, eerste lid, 14°, en inkomsten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 6° of 11°, alsook belastingplichtigen in de belasting van niet-inwoners met een inrichting in België voor de daar genoemde inkomsten die op de resultaten van die inrichting worden aangerekend. Verder (2°) de in België gevestigde tussenpersonen bij de uitbetaling van inkomsten van buitenlandse oorsprong; (2°bis) voor de interesten van artikel 19bis, de uitbetalende instantie; (3°) beheersvennootschappen van bepaalde fondsen voor belegging in schuldvorderingen, voor de inkomsten die die fondsen toekennen of betaalbaar stellen; (4°) de schuldenaars van inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 5° en 6°; en (5°) de in België gevestigde tussenpersonen bij de verrichtingen van artikel 90, eerste lid, 9°, c). De tussenpersonen van 2° en 5° zijn de voorheffing niet verschuldigd wanneer hun wordt bewezen dat een vorige tussenpersoon ze heeft ingehouden, wanneer ze bewijzen dat de inkomsten aan een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of erkende verrekenings- of vereffeningsinstelling zijn betaald, of wanneer ze zelf zo'n instelling zijn die betaalt aan een van de in het buitenland gevestigde ondernemingen die de wet opsomt. Behoudens het geval van artikel 268 moeten de schuldenaars de voorheffing inhouden op inkomsten die in geld worden toegekend of betaalbaar gesteld, en zich het bedrag ervan doen overhandigen bij toekenning of betaalbaarstelling in natura. Niet behandeld: de uitgesloten inkomsten van een buitenlandse inrichting van de schuldenaar (tweede lid) en de fictie van toekenning bij carried interest.
Voor wie
Het manifest geeft als toepassingsgebied "beide". Het artikel richt zich tot wie inkomsten van roerende goederen en kapitalen of de andere genoemde inkomsten verschuldigd is, en tot de in België gevestigde tussenpersonen, uitbetalende instanties en beheersvennootschappen die de wet noemt.
Sinds wanneer en overgang
Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.
Rekenvoorbeeld
Deze bepaling bevat geen bedrag of percentage.
Veelgemaakte fouten
- Denken dat een in België gevestigde tussenpersoon bij buitenlandse inkomsten nooit roerende voorheffing verschuldigd is. Onder 2° is hij de schuldenaar, tenzij een van de drie uitzonderingen geldt.
- Bij een uitbetaling in natura geen voorheffing regelen. De schuldenaar moet zich dan, op welke manier ook, het bedrag van de verschuldigde voorheffing doen overhandigen.
- Bij leningen van financiële instrumenten die integraal via een erkend gecentraliseerd systeem worden vereffend, de voorheffing bij de gewone schuldenaar leggen. De wet maakt de beheerder van dat systeem de schuldenaar van de voorheffing, niettegenstaande elke andersluidende overeenkomst.
- Artikel 268 over het hoofd zien. De verplichting om de voorheffing in te houden of te doen overhandigen geldt "behoudens in het geval bedoeld in artikel 268".
Verwante bepalingen
- WIB92:17 — haar laag 1 omschrijft de inkomsten uit roerende goederen en kapitalen, met onder meer dividenden, interest en in § 1, 5°, inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten; 1° en 4° verwijzen ernaar.
- WIB92:21 — haar laag 1 somt op wat de inkomsten van roerende goederen en kapitalen niet omvatten; 1° en 2° verwijzen naar haar eerste lid, 14°.
- WIB92:90 — haar laag 1 omschrijft de diverse inkomsten; 1°, 2° en 5° verwijzen naar haar eerste lid, 6°, 9°, c), en 11°.
- WIB92:92 — haar laag 1 omschrijft de financiële activa bedoeld in artikel 90, eerste lid, 9°, c); 5° verwijst naar haar § 1, a) en b), en § 2, 2°.
- WIB92:102 — haar laag 1 bepaalt hoe de meerwaarden van artikel 90, eerste lid, 9°, in aanmerking worden genomen; 5° verwijst naar haar § 4 en § 5.
- WIB92:338bis — haar laag 1 regelt de uitwisseling van gegevens in het kader van richtlijn 2003/48/EG over inkomsten uit spaargelden; 2°bis verwijst naar een uitvoeringsbesluit van haar § 2.
- WIB92:228 — haar laag 1 somt in § 2 in België behaalde of verkregen inkomsten op, met in 9°, j), vergoedingen voor ontbrekende coupon of ontbrekend lot; het tweede lid van artikel 261 verwijst naar haar § 2, 9°, j.
- WIB92:179 — haar laag 1 bepaalt wie aan de vennootschapsbelasting onderworpen is; de fictie bij carried interest verwijst ernaar.
- WIB92:220 — haar laag 1 bepaalt wie aan de rechtspersonenbelasting onderworpen is; de fictie bij carried interest verwijst ernaar.
- WIB92:222/1, WIB92:96/2 en WIB92:102/1 — laag 1 verwijst ernaar; hun tekst zit niet in de gegevens.
Wat de wet niet regelt
Dit artikel bepaalt zelf niet aan welke erkenningsvoorwaarden een gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten moet voldoen; dat laat het aan de Koning.
Toon de officiële wettekst
Officiële wettekst
De roerende voorheffing is verschuldigd: 1° door rijksinwoners, binnenlandse vennootschappen, verenigingen, instellingen, inrichtingen en lichamen, en aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen die inkomsten van roerende goederen en kapitalen, met inbegrip van de in artikel 21, eerste lid, 14°, bedoelde inkomstenschijf, en inkomsten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 6° of 11°, andere dan deze bedoeld in het tweede lid, verschuldigd zijn, zomede door aan de belasting van nietinwoners onderworpen belastingplichtigen die in België een inrichting hebben, op de resultaten waarvan inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 2° tot 4°, en inkomsten als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 6° en 11°, worden aangerekend; 2° door de in België gevestigde tussenpersonen die op enige wijze tussen beide komen bij de uitbetaling van inkomsten uit kapitalen en roerende goederen van buitenlandse oorsprong, met inbegrip van de in artikel 21, eerste lid, 14°, bedoelde inkomstenschijf, van inkomsten van buitenlandse oorsprong als bedoeld in artikel 90, eerste lid, 6° en 11°, of van inkomsten als bedoeld in het tweede lid, tenzij: a) hen wordt bewezen dat een vorige tussenpersoon de voorheffing heeft ingehouden; b) ze bewijzen dat die inkomsten zijn betaald aan een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of erkende verrekenings- of vereffeningsinstelling; c) ze de hoedanigheid hebben van een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of erkende verrekenings- of vereffeningsinstelling die de inkomsten uit kapitalen en roerende goederen, andere dan de inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen, alsmede in artikel 90, eerste lid, 6° en 11°, bedoelde inkomsten betaalt aan een in het vierde lid bedoelde in het buitenland gevestigde onderneming; 2°bis. In afwijking op de bepalingen onder 1° en het 2°, wat de interesten bedoeld in artikel 19bis betreft, door de uitbetalende instantie bedoeld in artikel 2, § 1, 2° van het koninklijk besluit van 27 september 2009 tot uitvoering van artikel 338bis, § 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. 3° door beheersvennootschappen van instellingen voor collectieve belegging die zijn erkend door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten om één of meerdere in artikel 271/9 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen bedoelde fondsen voor belegging in schuldvorderingen te beheren, voor de door deze gemeenschappelijke beleggingsfondsen voor belegging in schuldvorderingen toegekende of betaalbaar gestelde inkomsten; 4° door rijksinwoners, binnenlandse vennootschappen, verenigingen, instellingen, inrichtingen en lichamen, alsook aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen en aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen, die inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 5° en 6°, verschuldigd zijn. 5° door de in België gevestigde tussenpersonen die op enige wijze tussen beide komen bij de in artikel 90, eerste lid, 9°, c), bedoelde verrichtingen ten bate van rijksinwoners en rechtspersonen zoals bedoeld in artikel 222/1 die betrekking hebben op de in artikel 92, § 1, a) en b), bedoelde activa en met uitsluiting van de in artikel 92, § 2, 2°, bedoelde gelijkgestelde verrichtingen en met uitsluiting van de toepassing van de in artikel 96/2, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde vrijstellingen en zonder rekening te houden met de hogere aanschaffingswaarde bedoeld in artikelen 102, § 4, vierde lid, en 102/1, § 4, derde lid, of de minderwaarden bedoeld in artikelen 102, § 5, en 102/1, § 5, tenzij: a) hen wordt bewezen dat een vorige tussenpersoon de voorheffing heeft ingehouden; b) ze bewijzen dat die inkomsten zijn betaald aan een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of erkende verrekenings- of vereffeningsinstelling; c) ze de hoedanigheid hebben van een in België gevestigde kredietinstelling, beursvennootschap of erkende verrekenings- of vereffeningsinstelling die inkomsten betaalt aan een in het vierde lid bedoelde in het buitenland gevestigde onderneming. De van het eerste lid, 1°, uitgesloten inkomsten, zijn inkomsten uit kapitalen en roerende goederen, andere dan dividenden, zomede de in artikel 228, § 2, 9°, j, bedoelde diverse inkomsten waarvan de schuldenaar onderworpen is aan de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting, wanneer die inkomsten worden toegerekend op de resultaten van een inrichting waarover de schuldenaar in het buitenland beschikt en wanneer ze door de schuldenaar niet rechtstreeks aan de verkrijger van de inkomsten worden betaald. Met betrekking tot de interest van leningen van financiële instrumenten en de in artikel 90, eerste lid, 11°, bedoelde inkomsten die worden betaald in uitvoering van een lening betreffende financiële instrumenten, gesloten en integraal vereffend door tussenkomst van een erkend gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten, is, in afwijking van het eerste lid, de schuldenaar van de roerende voorheffing welke deze voorheffing op de belastbare inkomsten moet inhouden niettegenstaande elke andersluidende overeenkomst, de beheerder van het erkend gecentraliseerd systeem. Onder "erkend gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten" wordt verstaan een systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten dat tot doel heeft in laatste instantie de afwikkeling van orders tot overdracht van effecten te vergemakkelijken en dat geïntegreerd is in een vereffeningssysteem voor effecten zoals bedoeld in artikel 2, § 1, b, van de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van de richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitief karakter van de afwikkeling van de betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen, of in een systeem van een andere Staat waarvan de wetgeving minstens in gelijkwaardige werkingsvoorwaarden voorziet, erkend door de minister van Financiën of zijn gedelegeerde. De Koning bepaalt de erkenningsvoorwaarden waaraan het systeem moet voldoen en de periode tijdens dewelke de erkenning kan worden verleend. De in het eerste lid, 2°, c), en 5°, c) , bedoelde in het buitenland gevestigde ondernemingen zijn: 1° de kredietinstellingen; 2° de financiële tussenpersonen zoals gedefinieerd in artikel 2, 9°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten; 3° de verrekeningsinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, 16°, van de wet van 2 augustus 2002; 4° de vereffeningsinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, 17°, van de wet van 2 augustus 2002; 5° de ondernemingen wiens waarvan de voornaamste activiteit bestaat uit het beheer van vermogens, het adviseren bij het beheer van vermogens of uit de bewaarneming en het beheer van financiële instrumenten, alsmede de ondernemingen die uit hoofde van de wetgeving waaraan ze zijn onderworpen, gemachtigd zijn een van die activiteiten uit te oefenen. Voor de toepassing van het eerste lid, 4°, wordt: a) de in artikel 179 of 220 bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 17, § 1, 6°, bedoelde Carried interest toe te kennen die een Carried interest begunstigde ontvangt van een buitenlands Carried interest vehikel die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de werkzaamheid van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige; b) de in artikel 227, 2° en 3°, bedoelde belastingplichtige geacht de in artikel 17, § 1, 6°, bedoelde Carried interest toe te kennen die een Carried interest begunstigde ontvangt van een buitenlands Carried interest vehikel die met de belastingplichtige verbonden is in de zin van artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wegens of naar aanleiding van de werkzaamheid van de begunstigde ten behoeve van de belastingplichtige waarvoor de belastingplichtige in België of in het buitenland in artikel 17, § 1, 6°, bedoelde Carried interest betaalt of toekent. Behoudens in het geval bedoeld in artikel 268, moeten de in het eerste lid vermelde belastingplichtigen: - de roerende voorheffing inhouden op de belastbare inkomsten die in geld zijn toegekend of betaalbaar gesteld; - zich, op welke manier ook, het bedrag van de verschuldigde roerende voorheffing op die inkomsten doen overhandigen in geval van toekenning of betaalbaarstelling onder de vorm van goederen in natura.
Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel opgehaald op 2026-09-27. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus
Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie aj2027; wettekst gecontroleerd op 2026-09-27. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.