WIB 92, Art. 219bis
Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-29). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.
Uitleg
In één alinea
Dit artikel legt afzonderlijke aanslagen op aan bepaalde krediet- en huisvestingsvennootschappen die een voordelig statuut verlaten of dividenden uitkeren. § 1: ten name van de kredietverenigingen en de maatschappijen voor onderlinge borgstelling die lid zijn van het net van het beroepskrediet, en van de kredietkassen erkend door de NV Crelan, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd bij het uitgesloten worden of de ontslagname uit dat net, of bij de intrekking of de afstand van die erkenning. Die aanslag geldt voor het belastbaar tijdperk van die gebeurtenis en is gelijk aan 34 % van het totaal van de belaste reserves zoals die bestonden op het einde van de belastbare periode verbonden aan het aanslagjaar 1993. § 2: voor de vennootschappen uit artikel 216, 2°, a (zoals dat bestond vóór de opheffing door artikel 49 van de wet van 18 december 2015) en de erkende vennootschappen uit artikel 216, 2°, b, geldt bij dezelfde soort gebeurtenissen een afzonderlijke aanslag op het totaal van de belaste reserves bij het begin van het belastbaar tijdperk, met een percentage dat afhangt van het tijdperk waarin de reserves werden aangelegd. § 3: op de dividenduitkering van de vennootschappen uit artikel 216, 2°, wordt een afzonderlijke aanslag van 20 % gevestigd. § 4: de oudst gevormde reserves worden geacht eerst te zijn aangetast.
Voor wie
Het toepassingsgebied in de gegevens is de vennootschapsbelasting. De bepaling staat in de titel over de vennootschapsbelasting, bij de berekening van de belasting, in de afdeling over de afzonderlijke aanslagen. Ze richt zich op de kredietverenigingen, maatschappijen voor onderlinge borgstelling en kredietkassen uit § 1 en op de vennootschappen uit artikel 216, 2°, a (in de vroegere versie) en b.
Sinds wanneer en overgang
Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.
De tekst bevat zelf overgangselementen: voor de vennootschappen uit artikel 216, 2°, a, zoals dat bestond vóór de opheffing door artikel 49 van de wet van 18 december 2015, tellen alleen de reserves en de dividenden uit reserves die werden aangelegd tijdens een belastbaar tijdperk verbonden aan een aanslagjaar dat aanslagjaar 2017 voorafgaat.
Rekenvoorbeeld
Er staat geen eurobedrag in de gegevens; het voorbeeld is symbolisch en gebruikt alleen de percentages uit de wettekst.
Een erkende vennootschap uit artikel 216, 2°, b, wordt uitgesloten uit het net van het beroepskrediet. Bij het begin van het belastbaar tijdperk bestaan haar belaste reserves uit:
1. R1, aangelegd in een tijdperk verbonden aan de aanslagjaren 2003 en vorige: R1 × 34 %; 2. R2, aangelegd in een tijdperk dat ten laatste aanvangt op 31 december 2017 en verbonden is aan de aanslagjaren 2004 tot 2019: R2 × 28 %; 3. R3, aangelegd in een tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018 en ten laatste op 31 december 2019, verbonden aan de aanslagjaren 2019 tot 2021: R3 × 24 %; 4. R4, aangelegd in een tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020, verbonden aan de aanslagjaren 2021 en volgende: R4 × 20 %.
De afzonderlijke aanslag is de som van die vier deelbedragen, één keer afgerond op hele centen. Keert dezelfde vennootschap een dividend D uit aan een vennootschap die niet onder artikel 216, 2°, b, valt en het niet onmiddellijk in het kapitaal van zo'n vennootschap inbrengt, dan is de aanslag op de uitkering D × 20 %.
Veelgemaakte fouten
- Onder § 2 één percentage toepassen op alle reserves. Het percentage hangt af van het belastbaar tijdperk waarin elke reserve werd aangelegd, en de oudst gevormde reserves worden geacht eerst te zijn aangetast.
- Onder § 1 de reserves van nu nemen. De grondslag is het totaal van de belaste reserves op het einde van de belastbare periode verbonden aan het aanslagjaar 1993.
- De aanslag vestigen op reserves die naar een andere vennootschap uit artikel 216, 2°, b, worden overgedragen. Dat gebeurt niet; bij de verkrijger gelden ze als aangelegd in het tijdperk waarin de overdragende vennootschap ze heeft aangelegd. Het dividend dat bij een verrichting uit artikel 210, § 1, 1°, van de reserves wordt onttrokken, geldt ook als een overgedragen reserve.
- De dividendaanslag vestigen bij een uitkering aan een andere vennootschap uit artikel 216, 2°, b, of aan een andere vennootschap die het dividend onmiddellijk in het kapitaal van zo'n vennootschap inbrengt. In die gevallen wordt ze niet gevestigd.
- Een latere kapitaalvermindering bij de inbrengverkrijgende vennootschap als gewone kapitaalterugbetaling behandelen. Ze wordt geacht eerst uit die ingebrachte kapitalen voort te komen en geldt, in afwijking van artikel 18, eerste lid, 2°, als een dividend.
Verwante bepalingen
- WIB92:216 — legt in 2° een eigen tarief van de vennootschapsbelasting vast; onder b) gaat het om de vennootschappen voor huisvestingskrediet, onder meer de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, de Société wallonne du Logement, de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij, de Vlaamse Landmaatschappij en de door de gewesten erkende vennootschappen of instellingen die leningen toestaan voor een gezinswoning; 2°, a, staat er als "(...)".
- WIB92:210 — § 1, 1°: de artikelen 208 en 209 zijn mede van toepassing bij fusie door overneming, fusie door oprichting van een nieuwe vennootschap, splitsing door overneming of door oprichting van nieuwe vennootschappen, gemengde splitsing of een met fusie door overneming gelijkgestelde verrichting.
- WIB92:18 — omschrijft wat dividenden omvatten; het eerste lid, 2°, noemt gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van kapitaal, met uitzondering van de terugbetalingen die geacht worden voort te komen uit het gestort kapitaal of de ermee gelijkgestelde bedragen en die verkregen zijn ter uitvoering van een regelmatige beslissing van de vennootschap.
- KB-WIB92:200, KB-WIB92:201, KB-WIB92:202, KB-WIB92:203, WIB92:2, WIB92:65, WIB92:178, WIB92:359 en WIB92:360 — begrippen; hun definitie zit niet in de gegevens.
Wat de wet niet regelt
Dit artikel bepaalt zelf niet wanneer een vennootschap uitgesloten wordt uit het net van het beroepskrediet of wanneer haar erkenning wordt ingetrokken.
Toon de officiële wettekst
Officiële wettekst
§ 1. Ten name van de kredietverenigingen en van de maatschappijen voor onderlinge borgstelling die lid zijn van het net van het beroepskrediet en van de kredietkassen erkend door de NV Crelan , wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd bij het uitgesloten worden of de ontslagname uit dat net, of bij de intrekking of de afstand van die erkenning. Die aanslag wordt gevestigd voor het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk deze vereniging, maatschappij of kas wordt uitgesloten of ontslag neemt uit het net van het beroepskrediet, of tijdens hetwelk de erkenning wordt ingetrokken of afstand wordt gedaan van de erkenning. Die aanslag is gelijk aan 34 % van het totaal bedrag van de belaste reserves zoals die bestonden op het einde van de belastbare periode verbonden aan het aanslagjaar 1993. § 2. Ten name van de vennootschappen als vermeld in artikel 216, 2°, a, zoals dit bestond voor de opheffing door artikel 49 van de wet van 18 december 2015, en van de vennootschappen als bedoeld in artikel 216, 2°, b, erkend hetzij door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, de Société wallonne du logement, de Brusselse gewestelijke Huisvestingsmaatschappij of de Vlaamse Landmaatschappij, hetzij door het Vlaams Gewest, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het Waals Gewest, wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd bij het uitgesloten worden of de ontslagname uit het net van het beroepskrediet, of bij de intrekking of de afstand van die erkenning. Die aanslag wordt gevestigd voor het belastbaar tijdperk tijdens hetwelk de vennootschap of vereniging wordt uitgesloten of ontslag neemt uit het net van het beroepskrediet of tijdens hetwelk de erkenning van de vennootschap wordt ingetrokken of afstand wordt gedaan van de erkenning. Deze aanslag is gelijk aan het totale bedrag van de belaste reserves bij het begin van het belastbaar tijdperk, te vermenigvuldigen met een percentage afhankelijk van het belastbaar tijdperk waarin de belaste reserves werden aangelegd. Dit percentage bedraagt: - 34 %, voor de belaste reserves die werden aangelegd gedurende een belastbaar tijdperk verbonden aan de aanslagjaren 2003 en vorige; - 28 %, voor de belaste reserves die werden aangelegd gedurende een belastbaar tijdperk dat ten laatste aanvangt op 31 december 2017 en verbonden is aan de aanslagjaren 2004 tot 2019; - 24 %, voor de belaste reserves die werden aangelegd gedurende een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018 en ten laatste op 31 december 2019, en verbonden is aan de aanslagjaren 2019 tot 2021; - 20 %, voor de belaste reserves die werden aangelegd gedurende een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2020 en verbonden is aan de aanslagjaren 2021 en volgende. Ten name van de vennootschappen bedoeld in artikel 216, 2°, a, zoals dit bestond voor de opheffing door artikel 49 van de wet van 18 december 2015, worden enkel de reserves die werden aangelegd tijdens een belastbaar tijdperk verbonden aan een aanslagjaar dat aanslagjaar 2017 voorafgaat, in aanmerking genomen. Ten name van de vennootschappen bedoeld in artikel 216, 2°, b, wordt deze aanslag niet gevestigd op de reserves die worden overgedragen naar een andere in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap. Voor de toepassing van dit artikel worden deze reserves bij de vennootschap die ze heeft verkregen geacht te zijn aangelegd gedurende het belastbaar tijdperk waarin de overdragende vennootschap ze heeft aangelegd. Het dividend dat bij een in artikel 210, § 1, 1°, bedoelde verrichting onttrokken wordt van de reserves wordt voor de toepassing van dit artikel ook als een overgedragen reserve beschouwd. § 3. Ten name van de vennootschappen als bedoeld in artikel 216, 2° wordt een afzonderlijke aanslag gevestigd op de dividenduitkering. Die aanslag is gelijk aan 20 % van die dividenduitkering. Het eerste en het tweede lid zijn eveneens van toepassing, ten name van de vennootschappen bedoeld in artikel 216, 2°, a, zoals dit bestond voor de opheffing door artikel 49 van de wet van 18 december 2015. In dit geval, worden enkel de dividenden die voortkomen uit reserves die werden aangelegd tijdens een belastbaar tijdperk verbonden aan een aanslagjaar dat aanslagjaar 2017 voorafgaat, in aanmerking genomen. Ten name van de vennootschappen bedoeld in artikel 216, 2°, b, wordt deze aanslag niet gevestigd wanneer het dividend wordt uitgekeerd aan een andere in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap. De aanslag wordt evenmin gevestigd wanneer het dividend wordt uitgekeerd aan een niet in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap en deze laatste het uitgekeerde dividend onmiddellijk in het kapitaal van een in artikel 216, 2°, b, bedoelde vennootschap inbrengt. Wanneer de inbrengverkrijgende vennootschap later een kapitaalvermindering doorvoert, wordt die geacht eerst uit deze ingebrachte kapitalen voort te komen. Voor de toepassing van dit artikel wordt de vermindering van deze ingebrachte kapitalen in afwijking van artikel 18, eerste lid, 2°, als een dividend beschouwd. § 4. Voor de toepassing van dit artikel worden de oudst gevormde reserves geacht eerst te zijn aangetast.
Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel opgehaald op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus
Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie aj2027; wettekst gecontroleerd op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.