Theca Wetboek

Het Belgische boekhoud- en fiscaal recht, artikel per artikel uitgelegd.

Onofficiële uitgave met de officiële wettekst; alleen het Belgisch Staatsblad is authentiek.

WIB 92, Art. 217/1

Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-29). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.

Uitleg

In één alinea

Dit artikel bepaalt in de vennootschapsbelasting dat bepaalde vroeger vrijgestelde bedragen die later belastbaar worden, "evenwel" belast worden tegen een apart tarief. Het gaat om vier gevallen: het gedeelte van de vrijgestelde meerwaarden uit de artikelen 44bis, 44ter en 47 (en uit artikel 122, § 2, van de programmawet van 2 augustus 2002) dat krachtens artikel 190, vierde lid, belastbaar is geworden voordat het op de voorgeschreven wijze herbelegd werd; het gedeelte van de vrijgestelde meerwaarden dat krachtens artikel 44bis, § 5, 44ter, § 5, of 47, § 6, (of artikel 122, § 6, van die programmawet) belastbaar is geworden; het gedeelte van de vrijgestelde voorzieningen uit artikel 48 dat is teruggenomen; en het gedeelte van de investeringsreserve uit artikel 194quater dat krachtens artikel 190, vierde lid, vóór de herbelegging, of krachtens artikel 194quater, § 4, belastbaar is geworden. Die regel geldt "slechts" als de vrijgestelde reserve of de voorziening is aangelegd in een belastbaar tijdperk dat ten vroegste op 1 januari 2017 en ten laatste op 30 december 2020 afsluit. Het tarief is 33,99 % of 29,58 %, naargelang de reserve of voorziening is aangelegd in een belastbaar tijdperk verbonden aan de aanslagjaren 2018 en vorige, of aan de aanslagjaren 2019 en volgende. Bij de terugname van een voorziening worden de oudste bedragen geacht eerst te zijn teruggenomen.

Voor wie

Het toepassingsgebied in de gegevens is de vennootschapsbelasting. De bepaling staat in de titel over de vennootschapsbelasting, bij de berekening van de belasting, in het gewoon stelsel van aanslag.

Sinds wanneer en overgang

Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.

De tekst werkt zelf als overgangsregel: hij slaat alleen op reserves en voorzieningen aangelegd in een belastbaar tijdperk dat afsluit tussen 1 januari 2017 en 30 december 2020, en het tarief hangt af van het aanslagjaar waaraan dat tijdperk verbonden is (2018 en vorige, of 2019 en volgende).

Rekenvoorbeeld

Er staat geen eurobedrag in de gegevens; het voorbeeld is symbolisch.

1. Een vennootschap heeft een vrijgestelde voorziening uit artikel 48 aangelegd in een belastbaar tijdperk dat binnen de periode van 1 januari 2017 tot 30 december 2020 afsluit en verbonden is aan het aanslagjaar 2019. 2. Ze neemt een deel T van die voorziening terug. Heeft ze in verschillende tijdperken bedragen aangelegd, dan gelden de oudste bedragen als eerst teruggenomen. 3. Het tarief is 29,58 %, omdat de voorziening hoort bij de aanslagjaren 2019 en volgende. De belasting op dat deel is T × 29,58 %, afgerond op hele centen. 4. Was de voorziening aangelegd in een tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 2018, dan is de berekening T × 33,99 %.

Veelgemaakte fouten

  • Het aparte tarief toepassen op elke reserve of voorziening. Het geldt alleen als die is aangelegd in een belastbaar tijdperk dat ten vroegste op 1 januari 2017 en ten laatste op 30 december 2020 afsluit.
  • Het tarief kiezen volgens het jaar waarin het bedrag belastbaar wordt. De wet kijkt naar het aanslagjaar van het tijdperk waarin de reserve of voorziening is aangelegd.
  • Bij een terugname eerst de recentste bedragen van een voorziening terugnemen. De oudste bedragen worden geacht eerst te zijn teruggenomen.
  • Een gewone meerwaarde onder deze regel brengen. Het gaat om het gedeelte van de vrijgestelde meerwaarden, voorzieningen of investeringsreserve dat op een van de vier genoemde manieren belastbaar is geworden.

Verwante bepalingen

  • WIB92:44bis en WIB92:44ter — vrijstelling van meerwaarden op bedrijfsvoertuigen en op binnenschepen voor de commerciële vaart bij herbelegging; wordt niet herbelegd op de wijze en binnen de termijnen die daar gesteld zijn, dan wordt de meerwaarde volgens hun § 5 aangemerkt als inkomen van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is.
  • WIB92:47 — gespreide belasting van meerwaarden op immateriële en materiële vaste activa bij herbelegging; volgens § 6 wordt de meerwaarde, of het gedeelte dat nog niet belast is, bij het uitblijven van een correcte herbelegging aangemerkt als inkomen van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is.
  • WIB92:48 — vrijstelling, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, van waardeverminderingen en voorzieningen voor risico's en kosten.
  • WIB92:190 — het meerwaardenstelsel geldt ook voor vennootschappen; het vrijgestelde of voorlopig niet belaste gedeelte moet op een of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt zijn en blijven en mag niet dienen als grondslag voor de dotatie aan de wettelijke reserve of voor enige beloning of toekenning; worden die voorwaarden niet langer nageleefd, dan wordt dat gedeelte als winst van dat belastbare tijdperk beschouwd.
  • WIB92:194quater — de investeringsreserve; een bedrag gelijk aan de reserve moet binnen drie jaar geïnvesteerd worden, en anders wordt de reserve volgens § 4 als winst aangemerkt.
  • KB-WIB92:200, KB-WIB92:201, KB-WIB92:202, KB-WIB92:203, WIB92:2, WIB92:65, WIB92:178, WIB92:359 en WIB92:360 — begrippen; hun definitie zit niet in de gegevens.

Wat de wet niet regelt

Dit artikel bepaalt zelf niet wanneer een meerwaarde, voorziening of investeringsreserve belastbaar wordt; dat volgt uit de artikelen waarnaar het verwijst.

Toon de officiële wettekst

Officiële wettekst

§ 1. Het tarief van de vennootschapsbelasting is evenwel gelijk aan het in het derde lid bedoelde percentage wat betreft: - het gedeelte van de in de artikelen 44bis, 44ter en 47 van dit Wetboek en in artikel 122, § 2, van de programmawet van 2 augustus 2002 bedoelde vrijgestelde meerwaarden dat krachtens artikel 190, vierde lid, belastbaar is geworden alvorens te worden herbelegd voor een bedrag en op de wijze als respectievelijk bedoeld in de artikelen 44bis, 44ter en 47 van dit Wetboek en in artikel 122, §§ 2 tot 4, van de programmawet van 2 augustus 2002; - het gedeelte van de vrijgestelde meerwaarden dat krachtens artikel 44bis, § 5, 44ter, § 5, of 47, § 6, van dit Wetboek of artikel 122, § 6, van de programmawet van 2 augustus 2002, belastbaar is geworden; - het gedeelte van de in artikel 48 bedoelde vrijgestelde voorzieningen dat is teruggenomen; - het gedeelte van de in artikel 194quater bedoelde investeringsreserve dat krachtens artikel 190, vierde lid, alvorens te worden herbelegd voor een bedrag en op de wijze bedoeld in artikel 194quater, § 3, of krachtens artikel 194quater, § 4, belastbaar is geworden. Het eerste lid is slechts van toepassing indien de vrijgestelde reserve of de voorziening waarop het in het eerste lid bedoelde belastbaar feit betrekking heeft, is aangelegd in een belastbaar tijdperk dat ten vroegste op 1 januari 2017 en ten laatste op 30 december 2020 afsluit. Het in het eerste lid vermelde tarief wordt bepaald op 33,99 % of 29,58 %, naargelang het in het eerste lid bedoelde belastbare feit respectievelijk betrekking heeft op een vrijgestelde reserve of voorziening aangelegd in een belastbaar tijdperk verbonden aan de aanslagjaren 2018 en vorige, of aan de aanslagjaren 2019 en volgende. In geval van terugname van een voorziening worden de oudste bedragen van de voorziening geacht eerst te zijn teruggenomen.

Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel opgehaald op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus

Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie aj2027; wettekst gecontroleerd op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.