WIB 92, Art. 198/1
Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-29). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.
Uitleg
In één alinea
Dit artikel beperkt de aftrek van een financieringskostensurplus in de vennootschapsbelasting. Onverminderd de toepassing van de artikelen 54 en 55 wordt het financieringskostensurplus niet als beroepskosten aangemerkt in de mate dat het hoger is dan het grensbedrag (§ 1; de tekst spreekt daar van "het totale bedrag van deze interesten"). Het financieringskostensurplus is het positieve verschil tussen enerzijds de interesten en andere door de Koning omschreven kosten die economisch gelijkwaardig zijn aan interesten en in het belastbaar tijdperk als beroepskost aangemerkt worden, en anderzijds de interesten en andere door de Koning omschreven opbrengsten die economisch gelijkwaardig zijn aan interesten en in de winst van dat tijdperk begrepen zijn; kosten die verbonden zijn met een vaste inrichting waarvan de winst vrijgesteld is krachtens een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting, en opbrengsten die krachtens zo'n overeenkomst vrijgesteld zijn, tellen niet mee (§ 2). Buiten de berekening blijven, als aan de door de Koning vastgestelde modaliteiten voldaan is, leningen waarvan de belastingplichtige heeft aangetoond dat het contract gesloten werd vóór 17 juni 2016 en waaraan vanaf die datum geen fundamentele wijzigingen aangebracht werden, en leningen voor een langlopend openbaar infrastructuurproject waarbij de uitvoerder, de financieringskosten, de activa en de winst zich allemaal in de Europese Unie bevinden. Binnen een groep van vennootschappen tellen de interesten en gelijkwaardige kosten of opbrengsten verschuldigd aan of door een binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting van die groep die niet uitgesloten is van dit artikel, niet mee. Het grensbedrag is het hoogste van 3 miljoen euro en 30 % van de EBITDA die volgens § 3 samengesteld wordt (§ 3). Binnen een groep heeft de belastingplichtige de mogelijkheid een interestaftrek-overeenkomst te sluiten, waarmee zijn grensbedrag verhoogd of verlaagd wordt met het overgedragen grensbedrag (§ 3 en § 4); om een wijziging van het grensbedrag te rechtvaardigen moet de belastingplichtige die overeenkomst bij de aangifte voegen (§ 5). Het artikel is niet van toepassing als de belastingplichtige aantoont dat hij onder een van de in § 6 opgesomde definities valt.
Voor wie
Het toepassingsgebied in de gegevens is de vennootschapsbelasting. De bepaling staat in de titel over de vennootschapsbelasting, bij de vaststelling van het netto-inkomen, onder de beroepskosten. § 4 en § 5 noemen naast de vennootschapsbelasting ook de belasting van niet-inwoners, voor de aangifte waarin het overgedragen grensbedrag verwerkt wordt.
Sinds wanneer en overgang
Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.
In § 2 staat wel een datum voor bestaande leningen: leningen waarvan het contract gesloten werd vóór 17 juni 2016 en waaraan vanaf die datum geen fundamentele wijzigingen aangebracht werden, blijven onder de door de Koning vastgestelde modaliteiten buiten de berekening.
Rekenvoorbeeld
Symbolisch, met enkel de getallen uit de wettekst. Neem een vennootschap met een volgens § 3 samengestelde EBITDA E en een financieringskostensurplus S.
1. Het grensbedrag G is het hoogste van 3 miljoen euro en 30 % × E. 2. Is S niet hoger dan G, dan speelt de beperking van § 1 niet. 3. Is S hoger dan G, dan wordt het deel S − G niet als beroepskosten aangemerkt.
Bij de samenstelling van E komen onder meer 85 % van de in artikelen 205/2 en 205/3 bedoelde inkomsten die overeenkomstig artikel 205/1 aftrekbaar zijn, en 80 % van de overeenkomstig artikel 543 bepaalde octrooi-inkomsten in mindering; de andere vermeerderingen en verminderingen staan in § 3.
Veelgemaakte fouten
- Het grensbedrag als één vast bedrag lezen. De wet neemt het hoogste van twee bedragen: 3 miljoen euro, of 30 % van de EBITDA.
- De EBITDA gelijkstellen aan het resultaat. § 3 schrijft voor dat het resultaat van het belastbaar tijdperk vermeerderd wordt met onder meer de afschrijvingen en waardeverminderingen die als beroepskosten aangemerkt worden, de in artikel 194sexies bedoelde vrijgestelde winst en het financieringskostensurplus (met uitzondering van het gedeelte dat volgens § 1 niet als beroepskosten aangemerkt wordt), en verminderd met onder meer het in artikel 205/5 bedoelde bedrag van de groepsbijdrage.
- Alle interesten beperken in plaats van het surplus. De beperking slaat op het positieve verschil tussen de interesten en gelijkwaardige kosten enerzijds en de interesten en gelijkwaardige opbrengsten anderzijds.
- Een interestaftrek-overeenkomst laten gelden die niet ten uitvoer gebracht wordt. § 4 zegt dat een overeenkomst slechts in aanmerking komt als ze aan de voorwaarden voldoet en die voorwaarden ook effectief door de partijen ten uitvoer gebracht worden.
- Meer overdragen dan het eigen grensbedrag zonder gevolg. Draagt de belastingplichtige een bedrag over dat groter is dan zijn grensbedrag, dan worden zijn uitgaven volgens § 4 verworpen voor het positieve verschil tussen het overgedragen bedrag en het grensbedrag.
- Een andere vergoeding afspreken dan wat § 4 toelaat. De partijen kunnen enkel voorzien in de betaling van een vergoeding gelijk aan de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners die door één van de partijen verschuldigd was geweest indien geen overdracht zou hebben plaatsgevonden.
- De uitsluiting van § 6 aannemen zonder bewijs. De wet vraagt dat de belastingplichtige aantoont dat hij binnen een van de definities valt; de Koning kan de wijze van dat bewijs bepalen.
- Bij § 6, 14°, niet alle kenmerken nagaan. De tekst noemt een vennootschap die geen deel uitmaakt van een groep van vennootschappen, die geen buitenlandse inrichtingen heeft, en die geen deelneming aanhoudt of aandeelhouder heeft zoals daar beschreven, met een drempel van ten minste 25 %.
In § 5 staat "waarvan het model door de door de Koning wordt vastgesteld"; die zin is in de gegevens onduidelijk en wordt hier niet aangevuld. Niet behandeld: de afzonderlijke definities van § 6, 1° tot 13°, en de evenredige verdeling van het bedrag uit § 3, eerste lid, a, binnen een groep volgens de door de Koning vastgestelde methode.
Verwante bepalingen
- WIB92:54 — merkt onder voorwaarden interesten, retributies en bezoldigingen die betaald of toegekend worden aan bepaalde belastingplichtigen of buitenlandse inrichtingen met een aanzienlijk voordeliger belastingregeling, niet als beroepskosten aan; dit artikel geldt onverminderd die regel.
- WIB92:55 — merkt interesten van obligaties, leningen, schulden, deposito's en andere effecten ter vertegenwoordiging van leningen slechts als beroepskosten aan in zover ze niet hoger zijn dan een daar omschreven bedrag; ook die regel geldt onverminderd.
- WIB92:194sexies — stelt winst vrij ten belope van financieringskostensurplus dat in een van de voorgaande belastbare tijdperken niet als beroepskost aangemerkt werd, begrensd tot het positieve verschil tussen het grensbedrag en het financieringskostensurplus; die vrijgestelde winst telt mee bij de EBITDA.
- WIB92:205/5 — regelt de aftrek van de groepsbijdrage; dat bedrag komt in mindering bij de EBITDA.
- WIB92:202, WIB92:203 en WIB92:205 — regelen de aftrek van onder meer dividenden van de winst; de in artikel 202 bedoelde inkomsten die overeenkomstig de artikelen 203 tot 205 aftrekbaar zijn, komen in mindering bij de EBITDA.
- WIB92:205/1, WIB92:205/2 en WIB92:205/3 — regelen de aftrek voor innovatie-inkomsten.
- WIB92:543 — laat de belastingplichtige onder voorwaarden de toepassing vragen van de vroegere aftrek voor octrooi-inkomsten.
- KB-WIB92:200, KB-WIB92:201, KB-WIB92:202, KB-WIB92:203, WIB92:2, WIB92:65, WIB92:178, WIB92:359 en WIB92:360 — begrippen; hun definitie zit niet in de gegevens.
Wat de wet niet regelt
Dit artikel omschrijft zelf niet welke kosten en opbrengsten economisch gelijkwaardig zijn aan interesten; dat laat de wet aan de Koning.
Toon de officiële wettekst
Officiële wettekst
§ 1. Onverminderd de toepassing van de artikelen 54 en 55 wordt het in § 2 bedoelde financieringskostensurplus niet als beroepskosten aangemerkt in de mate dat het totale bedrag van deze interesten, hoger is dan het in § 3 bedoelde grensbedrag. § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder financieringskostensurplus het positieve verschil verstaan tussen: - enerzijds het geheel aan interesten en andere door de Koning omschreven kosten die economisch gelijkwaardig zijn aan interesten, die overeenkomstig de overige artikelen uit dit Wetboek in het belastbaar tijdperk als beroepskost worden aangemerkt en die niet verbonden zijn met een vaste inrichting waarvan de winst wordt vrijgesteld krachtens een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting; - en anderzijds het geheel aan interesten en andere door de Koning omschreven opbrengsten die economisch gelijkwaardig zijn aan interesten, die in de winst van het belastbaar tijdperk zijn begrepen en die niet krachtens een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting worden vrijgesteld. Indien aan de door de Koning vastgestelde modaliteiten wordt voldaan, worden de interesten en andere door de Koning omschreven kosten of opbrengsten die economisch gelijkwaardig zijn aan interesten van de volgende leningen niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van het financieringskostensurplus: - leningen waarvan de belastingplichtige heeft aangetoond dat het contract werd gesloten vóór 17 juni 2016 en waaraan vanaf deze datum geen fundamentele wijzigingen werden aangebracht; - leningen die worden gesloten in uitvoering van een langlopend openbaar infrastructuurproject, waarbij de uitvoerder van het project, de financieringskosten, de activa en de winst zich allemaal in de Europese Unie bevinden. In het geval de belastingplichtige deel uitmaakt van een groep van vennootschappen, komen de interesten en andere door de Koning omschreven kosten of opbrengsten die economisch gelijkwaardig zijn aan interesten en die verschuldigd zijn aan of door een binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting die deel uitmaakt van deze groep en die niet uitgesloten zijn van de toepassing van dit artikel, niet in aanmerking voor de vaststelling van het financieringskostensurplus. § 3. Het in dit artikel bedoelde grensbedrag is het hoogste van de volgende twee bedragen: a) 3 miljoen euro; b) 30 % van de overeenkomstig deze paragraaf samengestelde EBITDA van de belastingplichtige. De EBITDA wordt samengesteld door het resultaat van het belastbaar tijdperk te vermeerderen met: - de afschrijvingen en waardeverminderingen die voor het belastbaar tijdperk als beroepskosten worden aangemerkt; - de in artikel 194sexies bedoelde vrijgestelde winst; - het in paragraaf 2, bedoelde financieringskostensurplus, met uitzondering van het gedeelte dat overeenkomstig de eerste paragraaf niet als beroepskosten wordt aangemerkt; en te verminderen met: - het in artikel 205/5 bedoelde bedrag van de groepsbijdrage dat in mindering wordt gebracht van de winst van het belastbaar tijdperk; - de in artikel 202 bedoelde inkomsten van het belastbaar tijdperk die overeenkomstig de artikelen 203 tot 205, van de winst van het huidige of een volgend belastbaar tijdperk kunnen worden afgetrokken; - 85 % van de in artikelen 205/2 en 205/3 bedoelde inkomsten van het belastbaar tijdperk die overeenkomstig artikel 205/1, van de winst van het huidige of een volgend belastbaar tijdperk kunnen worden afgetrokken; - 80 % van de overeenkomstig artikel 543 bepaalde octrooi-inkomsten die in aanmerking worden genomen om van de winst van het belastbaar tijdperk te worden afgetrokken; - het deel van de winst van het belastbaar tijdperk dat krachtens een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting wordt vrijgesteld; - de winst die werd behaald in uitvoering van een langlopend openbaar infrastructuurproject, waarbij de uitvoerder van het project, de financieringskosten, de activa en de winst zich allemaal in de Europese Unie bevinden. In het geval de belastingplichtige deel uitmaakt van een groep van vennootschappen: - wordt het in het eerste lid, a, bedoelde bedrag evenredig verdeeld, overeenkomstig de door de Koning vastgestelde methode over de binnenlandse vennootschappen en de Belgische inrichtingen die tijdens het hele belastbaar tijdperk deel hebben uitgemaakt van deze groep en die niet zijn uitgesloten van toepassing van dit artikel; - worden de kosten die verschuldigd zijn aan of de opbrengsten die verschuldigd zijn door een binnenlandse vennootschap of Belgische inrichting die tijdens het hele belastbaar tijdperk deel heeft uitgemaakt van deze groep van vennootschappen en die niet zijn uitgesloten van de toepassing van dit artikel, buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van de in het eerste lid, b, bedoelde EBITDA; - heeft de belastingplichtige de mogelijkheid om een interestaftrek-overeenkomst te sluiten met een andere binnenlandse vennootschap of een Belgische inrichting die tijdens het hele belastbaar tijdperk deel heeft uitgemaakt van deze groep van vennootschappen en die niet is uitgesloten van toepassing van dit artikel; - wordt het grensbedrag van de belastingplichtige naargelang hetgeen is overeengekomen verhoogd of verlaagd met het overgedragen grensbedrag dat in de interestaftrek-overeenkomst werd vastgelegd. De Koning bepaalt de wijze waarop de in het derde lid, tweede streepje bedoelde kosten en opbrengsten buiten beschouwing worden gelaten bij de vaststelling van de EBITDA van een belastingplichtige die deel uit-maakt van een groep van vennootschappen. § 4. Een overeenkomst komt slechts in aanmerking als interestaftrek-overeenkomst indien deze aan de voorwaarden van deze paragraaf voldoet en indien deze voorwaarden ook effectief door de partijen ten uitvoer worden gebracht. De belastingplichtige en de binnenlandse vennootschap of de Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap die deel uitmaakt van dezelfde groep van vennootschappen worden als de twee partijen van de interestaftrek-overeenkomst geïdentificeerd. In deze overeenkomst wordt het over te dragen grensbedrag vastgelegd. In het geval de belastingplichtige een bedrag overdraagt dat groter is dan het grensbedrag van de belastingplichtige worden de uitgaven van de belastingplichtige verworpen voor een bedrag gelijk aan het positieve verschil tussen het overgedragen bedrag en het grensbedrag. In deze overeenkomst verbinden beide partijen zich ertoe om het overgedragen grensbedrag in de aangifte van de vennootschapsbelasting of belasting van de niet-inwoners van het belastbaar tijdperk te verwerken dat verbonden is met het in de overeenkomst vermelde aanslagjaar. In deze overeenkomst kunnen de partijen enkel voorzien in de betaling van een vergoeding die gelijk is aan de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners die door één van de partijen verschuldigd was geweest indien geen overdracht zou hebben plaatsgevonden. § 5. Om een wijziging aan het grensbedrag te rechtvaardigen moet de belastingplichtige bij haar aangifte van de vennootschapsbelasting of de belasting van niet-inwoners de in paragraaf 4 bedoelde overeenkomst voegen waarvan het model door de door de Koning wordt vastgesteld. § 6. Dit artikel is niet van toepassing indien de belastingplichtige aantoont dat hij binnen het toepassingsgebied valt van een van de hiernavolgende definities: 1° de kredietinstellingen in de zin van artikel 1, § 3, van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen; 2° de beleggingsondernemingen in de zin van artikel 3, § 1, van de wet van 25 oktober 2016 betreffende de toegang tot het beleggingsdienstenbedrijf en betreffende het statuut van en het toezicht op de vennootschappen voor vermogensbeheer en beleggingsadvies; 3° de beheerders van AICB's in de zin van artikel 3, 13°, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders; 4° de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 12°, van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen; 5° de verzekeringsondernemingen in de zin van artikel 5, 1°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen; 6° de herverzekeringsondernemingen in de zin van artikel 5, 2°, van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen; 7° de instelling voor bedrijfspensioen-voorziening in de zin van artikel 2, 1°, van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening; 8° pensioeninstellingen die pensioenregelingen uitvoeren welke worden beschouwd als socialezekerheidsregelingen die onder Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels vallen, alsook elke juridische entiteit die is opgericht met het oog op de beleggingen van die regelingen; 9° de alternatieve instellingen voor collectieve belegging in de zin van artikel 3, 2°, van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders; 10° de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG in de zin van artikel 3, 8°, van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen; 11° een centrale tegenpartij als omschreven in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters; 12° een centrale effectenbewaarinstelling als omschreven in artikel 2, eerste lid, punt 1, van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012; 13° een vennootschap waarvan de enige activiteit bestaat in het uitvoeren van een langlopend openbaar infrastructuurproject, waarbij de uitvoerder van het project, de financieringskosten, de activa en de winst zich allemaal in de Europese Unie bevinden; 14° een vennootschap die geen deel uitmaakt van een groep van vennootschappen en die geen buitenlandse inrichtingen heeft en die geen: - rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aanhoudt in een vennootschap die ten minste 25 % bedraagt van de stemrechten of kapitaalbezit van deze vennootschap of waarbij deze deelneming recht geeft op ten minste 25 % van de winst van deze vennootschap; - natuurlijke persoon of rechtspersoon als aandeelhouder heeft die rechtstreeks of onrechtstreeks een deelneming aanhoudt in deze en in een andere vennootschap die elk op zich ten minste 25 % bedraagt van de stemrechten of kapitaalbezit van deze vennootschappen of waarbij deze deelnemingen elk op zich recht geven op ten minste 25 % van de winst van deze twee vennootschappen; De Koning kan de wijze bepalen waarop het bewijs moet worden geleverd dat de belastingplichtige zich binnen het toepassingsgebied bevindt van een van de in het eerste lid bedoelde definities.
Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel opgehaald op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus
Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie aj2027; wettekst gecontroleerd op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.