Theca Wetboek

Het Belgische boekhoud- en fiscaal recht, artikel per artikel uitgelegd.

Onofficiële uitgave met de officiële wettekst; alleen het Belgisch Staatsblad is authentiek.

WIB 92, Art. 185bis

Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-29). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.

Uitleg

In één alinea

Dit artikel geeft een afwijkende belastbare grondslag voor een reeks beleggingsinstellingen en pensioenorganismen. In afwijking van artikel 185 zijn de in § 1 genoemde beleggingsvennootschappen, de Europese langetermijnbeleggingsinstellingen, de gereglementeerde vastgoedvennootschappen en de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 slechts belastbaar op het totaal van de ontvangen abnormale of goedgunstige voordelen en van de niet als beroepskosten aftrekbare uitgaven en kosten andere dan waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen en het in artikel 198/1 bedoelde ook niet als beroepskosten aangemerkte financieringskostensurplus. Dat geldt onverminderd het feit dat zij de in artikel 219 bedoelde bijzondere bijdrage verschuldigd zijn. Paragraaf 2 sluit voor die instellingen een aantal andere bepalingen uit, paragraaf 3 regelt wat er gebeurt als een private privak de daar genoemde bepalingen niet naleeft, en paragraaf 4 geeft de FOD Financiën de mogelijkheid om in de gevallen bepaald door de Koning bepaalde institutionele instellingen van een lijst te schrappen.

Voor wie

Het toepassingsgebied in de gegevens is de vennootschapsbelasting. De bepaling gaat over de beleggingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 en in de artikelen 190, 195, 285, 288 en 298 van de wet van 19 april 2014, de Europese langetermijnbeleggingsinstellingen, de gereglementeerde vastgoedvennootschappen en de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006.

Sinds wanneer en overgang

Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.

Rekenvoorbeeld

Deze bepaling bevat geen bedrag of percentage.

Veelgemaakte fouten

  • De bijzondere bijdrage vergeten. De beperkte grondslag geldt onverminderd het feit dat deze instellingen de in artikel 219 bedoelde bijzondere bijdrage verschuldigd zijn.
  • Waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen in de grondslag opnemen. De wet sluit ze uit de niet als beroepskosten aftrekbare uitgaven en kosten die de grondslag vormen.
  • Voor pensioenorganismen en beleggingsvennootschappen dezelfde lijst uitgesloten bepalingen gebruiken. Voor de pensioenorganismen noemt § 2 de artikelen 202 tot 205 en 285 tot 289 en artikel 123 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het wetboek; voor de beleggingsvennootschappen, de Europese langetermijnbeleggingsinstellingen en de gereglementeerde vastgoedvennootschappen noemt § 2 de artikelen 202 tot 205, artikel 279 met betrekking tot de roerende voorheffing ingehouden op Belgische dividenden, en de artikelen 285 tot 289.
  • Denken dat een private privak de regeling definitief verliest. Volgens § 3 zijn de paragrafen 1 en 2 niet van toepassing voor het belastbaar tijdperk waarin zij de daar genoemde bepalingen niet naleeft, en opnieuw van toepassing voor het belastbaar tijdperk waarin zij ze opnieuw voor het volledige belastbare tijdperk naleeft.
  • Bij een compartiment de gewone regel toepassen. Worden de deelbewijzen van een compartiment uitsluitend aangehouden door de bedoelde pensioenorganismen, dan zijn voor dat compartiment de regels voor die organismen van toepassing.
  • Niet behandeld: de indeling in § 3 van de voordien gevormde reserves van een private privak in belaste reserves, vrijgestelde reserves en winst, en de schrapping van de lijst van de private privaks met de mededeling per aangetekende brief en het beroep volgens de gemeenrechtelijke procedure.

Verwante bepalingen

  • WIB92:198/1 — laag 1 verwijst naar het daar bedoelde financieringskostensurplus. Volgens zijn tekst wordt dat financieringskostensurplus niet als beroepskosten aangemerkt in de mate dat het totale bedrag van deze interesten hoger is dan het in § 3 van dat artikel bedoelde grensbedrag.
  • WIB92:219 — laag 1 verwijst naar de daarin bedoelde bijzondere bijdrage.
  • WIB92:202 en WIB92:205 — laag 1 verklaart de artikelen 202 tot 205 niet van toepassing op de bedoelde instellingen. Volgens zijn tekst worden op grond van artikel 202 onder meer dividenden van de winst van het belastbare tijdperk afgetrokken, in zover zij erin voorkomen.
  • WIB92:285 en WIB92:289 — laag 1 verklaart de artikelen 285 tot 289 niet van toepassing. Volgens zijn tekst gaat artikel 285 over de verrekening van een forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting.
  • WIB92:279 — laag 1 verklaart het niet van toepassing wat de roerende voorheffing ingehouden op Belgische dividenden betreft. Volgens zijn tekst wordt als roerende voorheffing verrekend het bedrag van de roerende voorheffing vastgesteld overeenkomstig artikel 269.
  • WIB92:192 — laag 1 verwijst naar § 3 ervan. Volgens zijn tekst gaat § 3 over private privaks bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014: de voorwaarde verbonden aan de eventuele inkomsten van hun aandelen wordt geacht vervuld te zijn wanneer zij het geheel van hun activa beleggen zoals daar opgesomd.
  • WIB92:210 — laag 1 noemt de toepassing van § 1, 5°, ervan als voorbehoud bij de reserves die als winst worden beschouwd wanneer een private privak van de lijst wordt geschrapt. Volgens zijn tekst zijn de artikelen 208 en 209 mede van toepassing bij de erkenning door de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten als vennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed of in niet genoteerde aandelen, of als gereglementeerde vastgoedvennootschap, tenzij zij op het ogenblik van de erkenning al zo erkend was of al bij de FOD Financiën ingeschreven was als gespecialiseerd vastgoedbeleggingsfonds.
  • WIB92:302 — in de gegevens als verwant opgenomen, maar laag 1 noemt artikel 302, § 1, van de wet van 19 april 2014 en niet dat artikel van het wetboek.
  • KB-WIB92:200, KB-WIB92:201, KB-WIB92:202, KB-WIB92:203, WIB92:2, WIB92:65, WIB92:178, WIB92:359 en WIB92:360 — begrippen; hun definitie zit niet in de gegevens.

Wat de wet niet regelt

Dit artikel zegt niet in welke gevallen de Koning de schrapping van de lijst van de private privaks toelaat.

Toon de officiële wettekst

Officiële wettekst

§ 1. In afwijking van artikel 185 zijn de beleggingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 15 en 271/10 van de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen, de beleggingsvennootschappen bedoeld in de artikelen 190, 195, 285, 288 en 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders, de Europese langetermijnbeleggingsinstellingen de gereglementeerde vastgoedvennootschappen, alsmede de organismen voor de financiering van pensioenen bedoeld in artikel 8 van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening, slechts belastbaar op het totaal van de ontvangen abnormale of goedgunstige voordelen en van de niet als beroepskosten aftrekbare uitgaven en kosten andere dan waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen en het in artikel 198/1 bedoelde ook niet als beroepskosten aangemerkte financieringskostensurplus, onverminderd evenwel het feit dat zij de in artikel 219 bedoelde bijzondere bijdrage verschuldigd zijn. § 2. Wat de in § 1 bedoelde organismen voor de financiering van pensioenen betreft, zijn de bepalingen van de artikelen 202 tot 205 en 285 tot 289 en van artikel 123 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, niet van toepassing. Wat de in § 1 bedoelde beleggingsvennootschappen , de Europese langetermijnbeleggingsinstellingen en gereglementeerde vastgoedvennootschappen betreft, zijn de bepalingen van de artikelen 202 tot 205, artikel 279 met betrekking tot de roerende voorheffing ingehouden op Belgische dividenden en artikelen 285 tot 289, niet van toepassing. Wanneer de deelbewijzen van een compartimenten van een in het tweede lid bedoelde beleggingsvennootschap uitsluitend worden aangehouden door in het eerste lid bedoelde organismen voor de financiering van pensioenen zijn de bepalingen van het eerste lid voor de beleggingsvennootschap van toepassing met betrekking tot dit compartiment. § 3. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing voor het belastbaar tijdperk waarin een private privak bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014, de volgende bepalingen niet naleeft: 1° de in het artikel 192, § 3, bedoelde bepaling; 2° een of meer statutaire regels die volgen uit het specifiek karakter van deze vennootschap als instelling voor collectieve belegging. Voor de toepassing van het eerste lid worden de onder het in de §§ 1 en 2 bedoelde regime voordien gevormde reserves beschouwd als: 1° belaste reserves in de mate dat de private privak bewijst dat zij voortkomen van gerealiseerde meerwaarden of ontvangen dividenden van beleggingen bedoeld in artikel 192, § 3, 1° et 2°; 2° vrijgestelde reserves voor het saldo en in zoverre het bedrag van die reserves op een of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt is en blijft en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning; 3° winst van dat belastbare tijdperk indien en in zoverre de voorwaarden van het 2° niet langer worden nageleefd. De reserves bedoeld in het tweede lid, 2°, worden bovendien beschouwd als winst van het belastbaar tijdperk waarin de vennootschappen bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 worden geschrapt van de lijst van de private privaks bedoeld in artikel 302, § 1, van deze wet, onverminderd de toepassing van artikel 210, § 1, 5°. De FOD Financiën kan de vennootschap schrappen van de lijst van de private privaks bedoeld in artikel 302, § 1, van de wet van 19 april 2014 in de gevallen bepaald door de Koning of in geval van overtreding van statutaire regels bepaald door de Koning. De FOD Financiën deelt de schrapping mee door middel van een aangetekende brief geadresseerd aan de zetel van de vennootschap. Een beroep tegen een beslissing tot schrapping is mogelijk volgens de gemeenrechtelijke procedure van beroep in administratieve zaken. De paragrafen 1 en 2 zijn opnieuw van toepassing voor het belastbaar tijdperk waarin een private privak bedoeld in artikel 298 van de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders opnieuw voor het volledige belastbare tijdperk de volgende bepalingen naleeft: 1° de in het artikel 192, § 3, bedoelde bepaling; 2° de statutaire regels die volgen uit het specifiek karakter van deze vennootschap als instelling voor collectieve belegging. § 4. In de gevallen bepaald door de Koning kan de FOD Financiën een institutionele alternatieve instelling voor collectieve belegging schrappen van de in artikel 289, § 1 van de wet van 19 april 2014 bedoelde lijst of een institutionele instelling voor belegging in schuldvorderingen van de in artikel 271/15 van de wet van 3 augustus 2012 bedoelde lijst. De FOD Financiën deelt de schrapping mee door middel van een aangetekende brief geadresseerd aan de zetel van de vennootschap. Een beroep tegen een beslissing tot schrapping is mogelijk volgens de gemeenrechtelijke procedure van beroep in administratieve zaken.

Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel opgehaald op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus

Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie aj2027; wettekst gecontroleerd op 2026-09-29. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.