Theca Wetboek

Het Belgische boekhoud- en fiscaal recht, artikel per artikel uitgelegd.

Onofficiële uitgave met de officiële wettekst; alleen het Belgisch Staatsblad is authentiek.

KB nr. 3 (btw), Art. 4

Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-27). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.

Uitleg

In één alinea

Dit artikel regelt hoe de belastingplichtige zijn recht op aftrek uitoefent. Hij doet dat globaal: op het totaalbedrag van de belasting die hij voor een aangiftetijdvak verschuldigd is, rekent hij het totaalbedrag toe van de belasting waarvoor in hetzelfde tijdvak het recht op aftrek is ontstaan en dat krachtens artikel 3 uitgeoefend kan worden. Worden de formaliteiten voor de uitoefening niet tijdig vervuld, in het bijzonder wanneer de factuur van artikel 3, § 1, 1°, pas uitgereikt werd na de termijn van artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, dan wordt het recht uitgeoefend in de aangifte over het tijdvak waarin de formaliteiten vervuld worden, of in een aangifte over een volgend tijdvak. Die aangifte wordt ingediend vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op het jaar waarin de af te trekken belasting opeisbaar is geworden.

Voor wie

Toepassingsgebied: btw. De bepaling gaat over elke belastingplichtige die zijn recht op aftrek uitoefent in een aangifte, ook wanneer de formaliteiten laattijdig vervuld worden.

Sinds wanneer en overgang

Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.

Rekenvoorbeeld

Deze bepaling bevat geen bedrag of percentage. Symbolisch, voor de globale uitoefening in één aangiftetijdvak:

  • totaalbedrag van de belasting verschuldigd voor het tijdvak: V;
  • totaalbedrag van de belasting waarvoor het recht op aftrek in dat tijdvak ontstaan is en uitgeoefend kan worden: A;
  • wat na de toerekening overblijft: V min A.

Voor de laattijdige uitoefening: is de af te trekken belasting opeisbaar geworden in jaar J, dan loopt de termijn tot het verstrijken van het derde kalenderjaar dat op J volgt.

Veelgemaakte fouten

  • De aftrek per aankoop afzonderlijk verrekenen. De wet laat het recht globaal uitoefenen, op het totaalbedrag per aangiftetijdvak.
  • Denken dat een laattijdige factuur de aftrek meteen doet vervallen. De wet laat de uitoefening toe in de aangifte over het tijdvak waarin de formaliteiten vervuld worden of over een volgend tijdvak, binnen de termijn.
  • De termijn rekenen vanaf de factuurdatum. De wet rekent vanaf het kalenderjaar waarin de af te trekken belasting opeisbaar is geworden.

Verwante bepalingen

  • KB-BTW-3:3 — somt per soort handeling de voorwaarden op om het recht op aftrek uit te oefenen, zoals het bezit van een factuur of een ander stuk en de opname van de belasting in de aangifte.
  • W-BTW:12, W-BTW:45, W-BTW:46, W-BTW:47, W-BTW:48 en W-BTW:49 — artikelen van het Wetboek die dit besluit volgens de gegevens uitvoert; hun tekst zit niet in de gegevens.
  • W-BTW:1, W-BTW:1bis en W-BTW:9 — begrippen uit het Wetboek; hun definitie zit niet in de gegevens.

Wat de wet niet regelt

Dit artikel bepaalt niet wat er gebeurt met een recht op aftrek dat pas na het verstrijken van de termijn wordt uitgeoefend.

Toon de officiële wettekst

Officiële wettekst

De belastingplichtige oefent zijn recht op aftrek globaal uit door op het totaalbedrag van de belasting verschuldigd voor een aangiftetijdvak, het totaalbedrag toe te rekenen van de belasting waarvoor het recht op aftrek tijdens hetzelfde tijdvak is ontstaan en uitgeoefend kan worden krachtens artikel 3. Wanneer de formaliteiten waaraan het uitoefenen van het recht op aftrek onderworpen is, niet tijdig worden vervuld en, in het bijzonder, wanneer de in artikel 3, § 1, 1°, bedoelde factuur werd uitgereikt na het verstrijken van de termijn voorgeschreven door artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, wordt dat recht uitgeoefend in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de formaliteiten worden vervuld of in een aangifte betreffende een volgend tijdvak, ingediend vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de af te trekken belasting opeisbaar is geworden.

Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, artikel opgehaald op 2026-09-27. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus

Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie 2003-07-07; wettekst gecontroleerd op 2026-09-27. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.