KB nr. 3 (btw), Art. 21ter
Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-27). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.
Uitleg
In één alinea
Artikel 21ter van het KB nr. 3 regelt een regularisatie van de aftrek voor een belastingplichtige die een gebouw of een deel van een gebouw verhuurt overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek. Hij kan bij wijze van regularisatie zijn recht op aftrek uitoefenen voor de belasting die geen volledig recht op aftrek verleende op het tijdstip waarop ze opeisbaar werd, en dat voor drie soorten goederen en diensten: andere goederen en diensten dan bedrijfsmiddelen die nog niet gebruikt of verbruikt waren en daarna voor die verhuur worden gebruikt; bedrijfsmiddelen die het voorwerp van die verhuur zijn; en bedrijfsmiddelen waarmee hij die verhuur verricht. Voor bedrijfsmiddelen geldt dat alleen zolang het tijdvak van artikel 48, § 2, van het Wetboek niet verstreken is, en is het bedrag gelijk aan de belasting die niet kon worden afgetrokken, verminderd met een vijfde of een vijftiende volgens het onderscheid van artikel 9, per jaar vanaf 1 januari van het jaar dat volgens de artikelen 2 en 9 in aanmerking komt tot 31 december van het jaar vóór het jaar waarin de verhuur begint. De regularisatie vereist een inventaris in twee exemplaren voor de bevoegde dienst van de btw-administratie, en gebeurt door toerekening in vak 71 van kader VI van de periodieke aangifte, met overdracht naar volgende aangiftetijdvakken als het eindresultaat een bedrag is dat de Staat verschuldigd is. Het artikel is enkel van toepassing op belasting die opeisbaar is geworden vóór 1 januari 2019. Niet behandeld: de regeling voor het bedrag dat in de eerste elf maandaangiften of de eerste drie kwartaalaangiften van het jaar 2019 niet kon worden toegerekend (integraal te vermelden in de twaalfde maandaangifte of de vierde kwartaalaangifte van dat jaar, zonder ordonnancering voor de eerdere tijdvakken, in afwijking van artikel 81, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4), en de toepassingsmodaliteiten die de Minister van Financiën bepaalt.
Voor wie
Toepassingsgebied: btw. Het artikel gaat over belastingplichtigen die een gebouw of een deel van een gebouw verhuren overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek, voor belasting die opeisbaar is geworden vóór 1 januari 2019.
Sinds wanneer en overgang
Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.
Rekenvoorbeeld
De gegevens bevatten geen bedrag; het voorbeeld is daarom symbolisch. Noem N de belasting op een bedrijfsmiddel die niet in aftrek kon worden gebracht, en j het aantal jaren vanaf 1 januari van het jaar dat volgens de artikelen 2 en 9 in aanmerking komt tot 31 december van het jaar vóór het jaar waarin de verhuur begint. Bij de breuk van een vijfde is het bedrag van de regularisatie N min j vijfden van N; bij de breuk van een vijftiende N min j vijftienden van N. Het resultaat wordt in één keer afgerond op hele centen en toegerekend in vak 71 van kader VI van de periodieke aangifte.
Veelgemaakte fouten
- De regeling toepassen op belasting die opeisbaar werd op of na 1 januari 2019. De wet beperkt het artikel tot belasting die opeisbaar is geworden vóór die datum.
- Ook belasting regulariseren die bij opeisbaarheid al volledig recht op aftrek verleende. De regularisatie slaat op belasting die geen volledig recht op aftrek verleende.
- Voor bedrijfsmiddelen de volledige niet-afgetrokken belasting regulariseren. De wet vermindert dat bedrag met een vijfde of een vijftiende per jaar over de periode die laag 1 omschrijft.
- Regulariseren zonder inventaris. De wet maakt de regularisatie afhankelijk van de indiening van een inventaris in twee exemplaren, met onder meer de datum en het nummer van de factuur of het invoerdocument, de maatstaf van heffing en het te regulariseren bedrag.
Verwante bepalingen
- KB-BTW-3:9 — laag 1 verwijst ernaar voor het onderscheid naargelang de aard of het gebruik van het goed en voor het jaar dat in aanmerking komt. Volgens die bepaling bedraagt het herzieningstijdvak vijf jaar voor bedrijfsmiddelen, vijftien jaar voor onroerende bedrijfsmiddelen en diensten met vergelijkbare kenmerken, en vijfentwintig jaar voor gebouwen die worden verhuurd onder de voorwaarden van artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek.
- KB-BTW-3:2 — laag 1 verwijst ernaar voor het jaar dat in aanmerking komt. Die bepaling legt vast op welk tijdstip het recht op aftrek ontstaat, bijvoorbeeld voor geleverde goederen en verleende diensten op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt.
- KB-BTW-3:3 — laag 1 verwijst naar de regels van artikel 3. Die bepaling somt op welke stukken de belastingplichtige nodig heeft om zijn recht op aftrek uit te oefenen, zoals een factuur voor aan hem geleverde goederen en verleende diensten.
- W-BTW:45, W-BTW:46, W-BTW:47, W-BTW:48 en W-BTW:49 — laag 1 verwijst naar de artikelen 45 tot 49 van het Wetboek en naar artikel 48, § 2, voor het tijdvak; de tekst van die artikelen zit niet bij deze bepaling in de gegevens.
Wat de wet niet regelt
Dit artikel legt de toepassingsmodaliteiten en de wijze van verrichten van de regularisatie niet zelf vast; die bepaalt de Minister van Financiën.
Toon de officiële wettekst
Officiële wettekst
§ 1. Wanneer een belastingplichtige een gebouw of een gedeelte van een gebouw verhuurt overeenkomstig artikel 44, § 3, 2°, d), van het Wetboek, kan hij zijn recht op aftrek uitoefenen bij wijze van regularisatie voor: 1° de belasting geheven van de andere goederen en diensten dan bedrijfsmiddelen, die nog niet werden gebruikt of verbruikt en die geen volledig recht op aftrek verleenden op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar is geworden, wanneer die goederen en diensten vervolgens gebruikt worden om handelingen te verrichten bedoeld in dit lid; 2° de belasting geheven van de bedrijfsmiddelen die het voorwerp uitmaken van de handelingen bedoeld in dit lid en die geen volledig recht op aftrek verleenden op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar is geworden, voor zover het tijdvak bepaald bij artikel 48, § 2, van het Wetboek niet is verstreken; 3° de belasting geheven van de bedrijfsmiddelen waarmee de belastingplichtige handelingen verricht bedoeld in dit lid, en die geen volledig recht op aftrek verleenden op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar is geworden, voor zover het tijdvak bepaald bij artikel 48, § 2, van het Wetboek niet is verstreken. Voor de belasting geheven van bedrijfsmiddelen is het bedrag van de regularisatie gelijk aan de belasting die niet in aftrek kon worden gebracht, verminderd met een vijfde of een vijftiende volgens het onderscheid gemaakt in artikel 9, naargelang de aard of het gebruik van het goed, per jaar, vanaf 1 januari van het jaar dat overeenkomstig de artikelen 2 en 9 in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de aftrek tot 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de verhuur bedoeld in het eerste lid een aanvang neemt. Deze regularisatie gebeurt bij toepassing van de artikelen 45 tot 49 van het Wetboek en overeenkomstig de regels van artikel 3. § 2. De regularisatie is afhankelijk van de indiening bij de bevoegde dienst van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert van een inventaris van de goederen en diensten bedoeld in paragraaf 1, eerste lid. Die inventaris wordt opgemaakt in twee exemplaren waarvan er één bestemd is voor de in het eerste lid bedoelde dienst. Hij vermeldt op gedetailleerde wijze de goederen en diensten die in aanmerking worden genomen voor de regularisatie, de datum en het nummer van de factuur van de aankoop of het invoerdocument, de maatstaf van heffing waarover ze met de belasting over de toegevoegde waarde werden belast en het te regulariseren bedrag. § 3. De regularisatie wordt tot beloop van het passende bedrag verricht door toerekening op het aan de Staat verschuldigde bedrag van de belasting in vak 71 van kader VI van de periodieke aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek. Wanneer het eindresultaat van deze toerekening een door de Staat verschuldigd bedrag is, wordt dat bedrag naar de volgende aangiftetijdvakken overgebracht tot passend beloop van het bedrag van de belasting in vak 71 van die aangiften. Het bedrag van de aftrekbare belasting bedoeld in paragraaf 1 dat niet kon worden toegerekend in de eerste elf maandaangiften of de eerste drie kwartaalaangiften van het jaar 2019, wordt integraal vermeld in de twaalfde maandaangifte of de vierde kwartaalaangifte van het jaar 2019. In afwijking van artikel 81, § 3, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, geschiedt geen ordonnancering of verrichting gelijkgesteld met een betaling voor de tijdvakken waarop de eerste elf maandaangiften of de eerste drie kwartaalaangiften van het jaar 2019 betrekking hebben. § 4. Dit artikel is enkel van toepassing op de belasting die opeisbaar is geworden vóór 1 januari 2019. § 5. De Minister van Financiën bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de regularisatie en de wijze waarop die wordt verricht.
Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, artikel opgehaald op 2026-09-27. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus
Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie 2019-05-27; wettekst gecontroleerd op 2026-09-27. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.