Theca Wetboek

Het Belgische boekhoud- en fiscaal recht, artikel per artikel uitgelegd.

Onofficiële uitgave met de officiële wettekst; alleen het Belgisch Staatsblad is authentiek.

KB nr. 3 (btw), Art. 2

Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-27). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.

Uitleg

In één alinea

Dit artikel bepaalt op welk moment het recht op aftrek ontstaat. Voor btw op goederen en diensten die aan de belastingplichtige geleverd of verleend zijn, is dat het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens de artikelen 16, § 1, 17, 22, § 1 en 22bis van het Wetboek. Hetzelfde tijdstip geldt voor een handeling die de belastingplichtige verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die gelijkgesteld wordt met een levering door artikel 12, § 1, eerste lid, 3° en 4°, van het Wetboek of met een dienst door artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, of § 3, van het Wetboek. Voor invoer is het het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 24 van het Wetboek. Voor een intracommunautaire verwerving, en voor een handeling die daarmee gelijkgesteld wordt door artikel 25quater van het Wetboek, is het het tijdstip van opeisbaarheid krachtens artikel 25sexies van het Wetboek. Het artikel regelt daarnaast het tijdstip voor de belasting in de omstandigheden van artikel 58, § 4, 7°, tweede lid, van het Wetboek, en voor de handelingen van artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit nr. 54 over de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot.

Voor wie

Toepassingsgebied: btw. De bepaling gaat over elke belastingplichtige met een recht op aftrek, voor aankopen, invoer, intracommunautaire verwervingen en de gelijkgestelde handelingen die het artikel opsomt.

Sinds wanneer en overgang

Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.

Rekenvoorbeeld

Deze bepaling bevat geen bedrag of percentage.

Veelgemaakte fouten

  • Het recht op aftrek laten ontstaan op een ander moment dan de opeisbaarheid. Voor de gevallen 1° tot 5° en 7° koppelt de wet het ontstaan aan het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt; voor 6° noemt ze het tijdstip van artikel 58, § 4, 7°, derde lid, van het Wetboek.
  • Voor invoer en intracommunautaire verwervingen dezelfde artikelen hanteren als voor gewone leveringen. De wet verwijst voor invoer naar artikel 24 en voor intracommunautaire verwervingen naar artikel 25sexies van het Wetboek.
  • Het ontstaan van het recht verwarren met de uitoefening ervan. Dit artikel zegt alleen wanneer het recht ontstaat, niet onder welke voorwaarden het uitgeoefend wordt.

Verwante bepalingen

  • W-BTW:12, W-BTW:45, W-BTW:46, W-BTW:47, W-BTW:48 en W-BTW:49 — artikelen van het Wetboek die dit besluit volgens de gegevens uitvoert; hun tekst zit niet in de gegevens.
  • W-BTW:1, W-BTW:1bis en W-BTW:9 — begrippen uit het Wetboek; hun definitie zit niet in de gegevens.

Wat de wet niet regelt

Dit artikel bepaalt niet onder welke voorwaarden het ontstane recht op aftrek uitgeoefend kan worden.

Toon de officiële wettekst

Officiële wettekst

Het recht op aftrek ontstaat : 1° ten aanzien van de belasting geheven van de aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten, op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens de artikelen 16, § 1, 17, 22, § 1 en 22bis van het Wetboek; 2° ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die de belastingplichtige verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die wordt gelijkgesteld met een levering door artikel 12, § 1, eerste lid, 3° en 4°, van het Wetboek, of met een dienst door artikel 19, § 2, eerste lid, 1°, of § 3, van het Wetboek, op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens de artikelen 16, § 1, 17, 22, § 1 en 22bis van het Wetboek; 3° ten aanzien van de belasting geheven van een invoer, op het tijdstip waarop die belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 24 van het Wetboek; 4° ten aanzien van de belasting geheven van een intracommunautaire verwerving, op het tijdstip waarop die belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 25sexies van het Wetboek; 5° ten aanzien van de belasting geheven van een handeling die de belastingplichtige verricht voor de behoeften van zijn economische activiteit en die wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving door artikel 25quater van het Wetboek, op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 25sexies van het Wetboek; 6° ten aanzien van de belasting die verschuldigd is of voldaan wordt in de omstandigheden bedoeld in artikel 58, § 4, 7°, tweede lid, van het Wetboek, op het tijdstip bepaald in artikel 58, § 4, 7°, derde lid, van het Wetboek; 7° ten aanzien van de belasting geheven van een handeling bedoeld in artikel 7, § 3, van het koninklijk besluit nr. 54 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, op het tijdstip waarop die belasting opeisbaar wordt krachtens artikel 9 van datzelfde besluit.

Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, artikel opgehaald op 2026-09-27. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus

Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie 2013-01-01; wettekst gecontroleerd op 2026-09-27. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.