Theca Wetboek

Het Belgische boekhoud- en fiscaal recht, artikel per artikel uitgelegd.

Onofficiële uitgave met de officiële wettekst; alleen het Belgisch Staatsblad is authentiek.

KB nr. 3 (btw), Art. 18bis

Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-27). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.

Uitleg

In één alinea

Artikel 18bis van het KB nr. 3 regelt de aftrek volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten, of van een deel ervan, op grond van artikel 46, § 2, eerste lid, van het Wetboek. Een belastingplichtige die naast handelingen met aanspraak op aftrek op grond van artikel 45 van het Wetboek ook andere handelingen verricht, kan die regeling kiezen door een voorafgaande kennisgeving aan de btw-administratie, met de aangifte van artikel 1, 2 of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992. Die kennisgeving vertrekt uiterlijk vóór het einde van het eerste aangiftetijdvak van het lopende kalenderjaar, of, bij aanvang of wijziging van de activiteit, vóór het einde van het aangiftetijdvak waarin die plaatsvindt. Ze werkt voor onbepaalde duur vanaf 1 januari van dat kalenderjaar, of vanaf de eerste dag van de aanvang of wijziging; ten vroegste op 31 december van het derde jaar na de datum van uitwerking kan de belastingplichtige terugkeren naar het algemeen verhoudingsgetal. Jaarlijks deelt hij bij de aangifte over het eerste kwartaal of één van de eerste drie maanden gegevens mee: in voorkomend geval het definitieve algemeen verhoudingsgetal van het vorige jaar, het aandeel in procenten van de aangerekende belasting voor de afdelingen met volledig recht op aftrek, zonder recht op aftrek en voor beide samen, en de bijzondere verhoudingsgetallen voor dat gemengde deel. Wie de kennisgeving of de mededeling nalaat, kan de regeling niet toepassen vóór 1 januari van het volgende kalenderjaar, en dan alleen na een voorafgaande kennisgeving. De administratie bevestigt de ontvangst van de kennisgevingen en kan, als de toepassing volgens haar niet of niet meer met de werkelijkheid overeenstemt, de regeling bij gemotiveerde beslissing weigeren, ten laatste op 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin de kennisgeving uitwerking had. Niet behandeld: de overgangsregel voor wie op 31 december 2022 al volgens het werkelijk gebruik aftrok (kennisgeving vóór 1 juli 2023), de afwijkende termijn voor de jaarlijkse mededeling bij aanvang of wijziging van de activiteit, het tijdstip waarop een beëindiging ingaat (onverminderd § 1, vierde lid, op 1 januari van het jaar na de kennisgeving), het voorstel van andere criteria door de administratie, de nieuwe kennisgeving na een weigering, en de mededelingsplicht van § 8 voor wie ook werkzaamheden verricht die geen handelingen van artikel 2 van het Wetboek zijn.

Voor wie

Toepassingsgebied: btw. Het artikel richt zich tot belastingplichtigen die in het kader van hun economische activiteit zowel handelingen met aanspraak op aftrek op grond van artikel 45 van het Wetboek als andere handelingen verrichten, en tot de btw-administratie die hun kennisgevingen ontvangt en beoordeelt.

Sinds wanneer en overgang

Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.

Rekenvoorbeeld

Deze bepaling bevat geen bedrag of percentage. Ze vraagt wel een aandeel uitgedrukt in procenten, maar legt zelf geen tarief of verdeelsleutel vast.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat de keuze elk jaar kan worden omgekeerd. De wet bepaalt dat terugkeren naar het algemeen verhoudingsgetal ten vroegste kan op 31 december van het derde jaar dat volgt op de datum van uitwerking van de kennisgeving.
  • De kennisgeving te laat versturen. Ze vertrekt vóór het einde van het eerste aangiftetijdvak van het lopende kalenderjaar; bij aanvang of wijziging van de activiteit vóór het einde van het aangiftetijdvak waarin die plaatsvindt.
  • De jaarlijkse mededeling overslaan na een geldige kennisgeving. Wie de mededeling van § 2 nalaat, kan de regeling niet toepassen vóór 1 januari van het volgende kalenderjaar.
  • Een uitblijvende weigering lezen als goedkeuring. De wet bepaalt dat de afwezigheid van een weigeringsbeslissing de administratie niet belet de correcte toepassing en het recht op aftrek te controleren.
  • Bij beëindiging een kennisgeving versturen als de verklaring van het koninklijk besluit nr. 10 al toont dat de belastingplichtige uitsluitend handelingen met of uitsluitend handelingen zonder recht op aftrek verricht, of zijn activiteit heeft beëindigd. In die gevallen wordt de kennisgeving niet verstuurd en houdt de aftrek volgens het werkelijk gebruik op vanaf de wijziging of stopzetting.

Verwante bepalingen

  • KB-BTW-3:14 — laag 1 verwijst naar de voorafgaande kennisgeving van artikel 14, § 2, om de regeling te beëindigen. Volgens die bepaling brengt de belastingplichtige van artikel 46, § 2, van het Wetboek die wil aftrekken volgens het algemeen verhoudingsgetal, de administratie op de hoogte met een voorafgaande kennisgeving, die onverminderd artikel 18bis, § 1, vierde lid, voor onbepaalde tijd uitwerking heeft vanaf 1 januari van het jaar volgend op die kennisgeving.
  • W-BTW:45 — laag 1 verwijst naar artikel 45 van het Wetboek voor de aanspraak op aftrek; de tekst van dat artikel zit niet bij deze bepaling in de gegevens.
  • W-BTW:46 — laag 1 verwijst naar artikel 46, § 1 en § 2, van het Wetboek; de tekst van dat artikel zit niet bij deze bepaling in de gegevens.

Wat de wet niet regelt

Dit artikel legt niet vast welke criteria de belastingplichtige gebruikt om het aandeel en de bijzondere verhoudingsgetallen te bepalen; het vraagt alleen dat hij ze meedeelt.

Toon de officiële wettekst

Officiële wettekst

§ 1. Overeenkomstig artikel 46, § 2, eerste lid, van het Wetboek kan iedere belastingplichtige die in het kader van zijn economische activiteit ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 van het Wetboek aanspraak op aftrek bestaat, in afwijking van afdeling IV, op grond van een voorafgaande kennisgeving aan de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, het recht op aftrek uitoefenen volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan. De belastingplichtige verstuurt de in het eerste lid bedoelde kennisgeving uiterlijk vóór het einde van het eerste aangiftetijdvak van het lopende kalenderjaar door middel van de aangifte bedoeld in artikel 1, 2 of 7bis van koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde. De belastingplichtige die zijn economische activiteit aanvangt of zodanig wijzigt dat hij tegelijk ook andere handelingen verricht dan handelingen waarvoor op grond van artikel 45 van het Wetboek aanspraak op aftrek bestaat, verstuurt in afwijking van het tweede lid, de in het eerste lid bedoelde kennisgeving volgens dezelfde modaliteiten vóór het einde van het aangiftetijdvak waarin de aanvang of de wijziging van zijn activiteit plaatsvindt. De in het eerste lid bedoelde kennisgeving heeft uitwerking voor een onbepaalde duur vanaf 1 januari van het betrokken kalenderjaar of, in het in het derde lid bedoelde geval, vanaf de eerste dag van de aanvang of wijziging van zijn activiteit. De belastingplichtige kan ten vroegste op 31 december van het derde jaar dat volgt op de datum van uitwerking van die kennisgeving terug zijn recht op aftrek uitoefenen volgens het in artikel 46, § 1, van het Wetboek bedoelde algemeen verhoudingsgetal, door middel van de in paragraaf 4 bedoelde kennisgeving. § 2. De belastingplichtige die de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving doet, deelt bovendien jaarlijks de volgende gegevens mee bij de indiening van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot het eerste kwartaal of één van de eerste drie maanden van het lopende kalenderjaar: 1° in voorkomend geval, het in artikel 46, § 1, derde lid, van het Wetboek bedoelde definitieve algemeen verhoudingsgetal van het voorafgaande kalenderjaar; 2° het aandeel, uitgedrukt in procenten, overeenkomstig de door de belastingplichtige op het moment van de kennisgeving gehanteerde criteria, van de aan de belastingplichtige in rekening gebrachte belasting op de handelingen die: a) uitsluitend worden gebruikt voor de bedrijfsafdeling of de bedrijfsafdelingen waarvan de handelingen volledig recht op aftrek verlenen; b) uitsluitend worden gebruikt voor de bedrijfsafdeling of de bedrijfsafdelingen waarvan de handelingen geen recht op aftrek verlenen; c) tegelijkertijd worden gebruikt voor de onder a) en b) vermelde bedrijfsafdelingen; 3° één of meerdere bijzondere verhoudingsgetallen die van toepassing zijn op de in de bepaling onder 2°, c), bedoelde handelingen en, bij toepassing van meerdere bijzondere verhoudingsgetallen, het globale resultaat van de toepassing van die bijzondere verhoudingsgetallen op de aan de belastingplichtige in rekening gebrachte belasting op de handelingen die tegelijkertijd worden gebruikt voor de onder de bepaling onder 2°, a) en b) vermelde bedrijfsafdelingen. In afwijking van het eerste lid, deelt de belastingplichtige deze gegevens mee, in het in paragraaf 1, derde lid bedoelde geval, bij de indiening van de aangifte bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek met betrekking tot het kwartaal waarin de aanvang of de wijziging van zijn activiteit plaatsvindt of, indien hij deze aangifte maandelijks indient, met betrekking tot een van de eerste twee maanden na de aanvang of de wijziging van zijn activiteit. § 3. De belastingplichtige die nalaat de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving of de in paragraaf 2 bedoelde mededeling te doen, kan het recht op aftrek niet uitoefenen volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan vóór 1 januari van het volgende kalenderjaar en op voorwaarde dat hij vooraf een kennisgeving heeft verstuurd overeenkomstig paragraaf 1, lid 1 en 2. § 4. De in paragraaf 1 bedoelde belastingplichtige die de aftrek volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan wenst te beëindigen, stelt de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde daarvan in kennis door de in artikel 14, § 2, bedoelde voorafgaande kennisgeving te versturen. Onverminderd paragraaf 1, vierde lid, gaat de beëindiging in op 1 januari van het jaar dat volgt op deze kennisgeving. De kennisgeving bedoeld in het eerste lid wordt niet verstuurd wanneer: 1° uit de verklaring bedoeld in artikel 2, eerste lid of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde, blijkt dat de belastingplichtige in de uitoefening van zijn economische activiteit uitsluitend handelingen verricht die recht op aftrek verlenen op grond van artikel 45 van het Wetboek dan wel uitsluitend handelingen die geen recht op aftrek verlenen; 2° uit de in artikel 3 of 7bis van hetzelfde besluit bedoelde aangifte blijkt dat de belastingplichtige iedere economische activiteit die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent, heeft beëindigd. In de in het tweede lid bedoelde gevallen houdt de belastingplichtige op de aftrek uit te oefenen volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan vanaf de wijziging of stopzetting van zijn activiteit. § 5. De administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde bevestigt de ontvangst van de in de paragrafen 1 en 4 bedoelde kennisgevingen. Deze ontvangstbevestiging bevat, afhankelijk van het geval, de volgende gegevens: 1° de identificatiegegevens van de belastingplichtige; 2° de datum van aanvang en, in voorkomend geval, de datum van beëindiging van de aftrekregeling volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan. § 6. Wanneer de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde op grond van de haar voorgelegde feiten of de door haar verzamelde informatie van mening is dat de uitoefening door de belastingplichtige van zijn recht op aftrek volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan, niet of niet meer met de werkelijkheid overeenstemt, deelt zij de belastingplichtige via een gemotiveerde beslissing de redenen voor haar weigering mee. In dat verband kan zij aan de belastingplichtige desgevallend voorstellen om die aftrekregeling te behouden mits toepassing van andere criteria dan degene die door de belastingplichtige werden gebruikt voor de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving. De in het eerste lid bedoelde weigeringsbeslissing wordt meegedeeld ten laatste op 31 december van het jaar volgend op het jaar waarin de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving uitwerking heeft gehad en heeft uitwerking voor onbepaalde termijn vanaf de eerste dag van het aangiftetijdvak waarin de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving is verricht. De belastingplichtige aan wie de in het eerste lid bedoelde weigeringsbeslissing ter kennis werd gebracht, kan, wanneer hij, desgevallend, de door de administratie in haar weigeringsbeslissing voorgestelde criteria niet toepast, ten vroegste opnieuw een in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving doen in het kalenderjaar dat volgt op de in het eerste lid bedoelde kennisgeving. De afwezigheid van enige weigeringsbeslissing van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde binnen de in het tweede lid bedoelde termijn doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor die administratie om de correcte toepassing door de belastingplichtige van de bepalingen van het Wetboek en de uitvoeringsbesluiten daarvan, en in het bijzonder de uitoefening door laatstgenoemde van zijn recht op aftrek, te controleren. § 7. De belastingplichtige die op 31 december 2022 de aftrek toepast volgens het werkelijk gebruik van de goederen en diensten of een deel ervan, stelt de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde daarvan in kennis vóór 1 juli 2023, overeenkomstig de in paragrafen 1 en 2 bepaalde modaliteiten. De in het eerste lid bedoelde informatie wordt, voor de toepassing van dit artikel, gelijkgesteld met de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving. § 8. Belastingplichtigen die ook werkzaamheden of handelingen verrichten die niet als in artikel 2 van het Wetboek bedoelde handelingen worden aangemerkt, delen de in paragraaf 2 bedoelde inlichtingen eveneens jaarlijks op dezelfde wijze mee.

Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, artikel opgehaald op 2026-09-27. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus

Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie 2026-01-10; wettekst gecontroleerd op 2026-09-27. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.