KB nr. 1 (btw), Art. 17
Uitleg en toepassing zijn door AI geschreven op basis van de officiële wettekst en machinaal tegengelezen (2026-09-28). Deze bepaling is niet door een mens nagekeken. Controleer het zelf: de officiële wettekst staat hieronder, als ongewijzigde kopie van de artikeltekst uit FOD Financiën, FisconetPlus (zonder de noten en titels van de FOD), met een link naar de bron.
Uitleg
In één alinea
Dit artikel regelt wanneer de periodieke btw-aangifte uit artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek wordt ingediend. De basisregel is een maandaangifte, in te dienen bij de dienst die de minister van Financiën aanwijst, uiterlijk de twintigste dag na de maand waarop ze betrekking heeft. In afwijking daarvan mag de belastingplichtige een kwartaalaangifte indienen, uiterlijk de vijfentwintigste dag van de maand na elk kalenderkwartaal, wanneer zijn jaaromzet, exclusief btw, voor zijn volledige economische activiteit niet meer bedraagt dan 2.500.000 euro; wie krachtens artikel 53sexies, § 1, van het Wetboek maandelijks de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen moet indienen, is van die kwartaalregeling uitgesloten. Voldoet een kwartaalaangever voor het eerst niet meer aan die voorwaarden, dan gaat hij over naar maandaangiften bij het verstrijken van dat kalenderkwartaal en meldt hij die overgang uiterlijk de tiende van de volgende maand met de aangifte uit artikel 2 of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992. Andere overgangen kan de administratie op uitdrukkelijk verzoek toestaan. Stelt de belastingplichtige na het indienen een materiële vergissing vast, dan dient hij vóór het verstrijken van de indieningstermijn een nieuwe aangifte in die de vorige vervangt, of, als dat niet meer kan, neemt hij een correctie op in de eerstvolgende aangifte. Voor de curator van een gefailleerde belastingplichtige geldt een aparte jaaraangifte.
Voor wie
Toepassingsgebied: btw. Het artikel richt zich tot de belastingplichtige die de aangifte uit artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek moet indienen, en in paragraaf 5 tot de curator van een gefailleerde belastingplichtige.
Sinds wanneer en overgang
Inwerkingtreding niet in het corpus — zie de wijzigingswet.
Rekenvoorbeeld
Deze bepaling bevat drempels, geen tarief om mee te rekenen.
Neem een belastingplichtige met een jaaromzet J, exclusief btw, voor zijn volledige economische activiteit. Bedraagt J niet meer dan 2.500.000 euro, dan mag hij kwartaalaangiften indienen, tenzij hij krachtens artikel 53sexies, § 1, van het Wetboek maandelijks de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen moet indienen. Bedraagt J precies 2.500.000 euro, dan is de voorwaarde nog vervuld. Bedraagt J meer, dan geldt de maandaangifte.
Veelgemaakte fouten
- Kwartaalaangiften blijven indienen terwijl de belastingplichtige maandelijks de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen moet indienen: hij is dan van de kwartaalregeling uitgesloten.
- De overgang van kwartaal- naar maandaangiften niet melden: die melding gebeurt uiterlijk de tiende van de maand na het kalenderkwartaal waarin de voorwaarden voor het eerst niet meer vervuld zijn.
- Een vergissing die tot een verbeterend stuk leidt, als materiële vergissing behandelen: het artikel verstaat onder materiële vergissing enkel een vergissing of vergetelheid die geen aanleiding geeft tot het opmaken of uitreiken van een verbeterend stuk.
- Een andere overgang van aangifteregeling als automatisch beschouwen: die vraagt een uitdrukkelijk verzoek en een toestemming van de administratie, en gaat in op de eerste dag van het aangiftetijdvak van de gevraagde regeling na de aanvaarding.
- Bij een faillissement de gewone termijnen toepassen: de curator dient, behalve in de gevallen van artikel XX.140 van het Wetboek van economisch recht, uiterlijk op 28 februari van het volgende kalenderjaar een jaaraangifte in voor de belastbare handelingen die hij in naam van de gefailleerde verricht, en voldoet de belasting uiterlijk op 30 april van het kalenderjaar na het jaar waarop die aangifte betrekking heeft. Bij de sluiting van het faillissement dient hij de aangifte in uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand na het vonnis tot sluiting, en betaalt hij binnen drie maanden na het verstrijken van die indieningstermijn.
Verwante bepalingen
- KB-BTW-1:18: laag 1 verwijst voor de jaaraangifte van de curator naar de modaliteiten van artikel 18, § 1 en § 2. Volgens haar laag 1 wordt de aangifte uit artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek langs elektronische weg ingediend, met een ontheffing zolang de belastingplichtige niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikt.
- In de gegevens is dit besluit als geheel gekoppeld aan de wetsartikelen W-BTW:17, W-BTW:22, W-BTW:51, W-BTW:53, W-BTW:53ter, W-BTW:53octies, W-BTW:53decies, W-BTW:54 en W-BTW:56, als artikelen die het uitvoert. De tekst van die artikelen zit niet in de gegevens; over hun inhoud zegt deze uitleg daarom niets.
Wat de wet niet regelt
Dit artikel regelt niet hoe de aangifte wordt ingevuld; het gaat over de termijnen, de keuze tussen maand- en kwartaalaangifte en de correctie van materiële vergissingen.
Toon de officiële wettekst
Officiële wettekst
§ 1. De belastingplichtige die gehouden is tot het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte dient die aangifte in bij de door de minister van Financiën aangewezen dienst, uiterlijk de twintigste dag volgend op de maand waarop zij betrekking heeft. § 2. In afwijking van paragraaf 1, mag de belastingplichtige een kwartaalaangifte indienen, uiterlijk de vijfentwintigste dag van de maand na ieder kalenderkwartaal, wanneer de jaaromzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, voor de volledige economische activiteit niet meer bedraagt dan 2.500.000 euro. De belastingplichtige die krachtens artikel 53sexies, § 1, van het Wetboek gehouden is tot de maandelijkse indiening van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen, is uitgesloten van de regeling bedoeld in het eerste lid. § 3. De overgang van de regeling kwartaalaangiften naar maandaangiften vindt plaats bij het verstrijken van het kalenderkwartaal waarin voor de eerste maal niet meer aan de in paragraaf 2 vermelde voorwaarden is voldaan. De belastingplichtige is gehouden uiterlijk de tiende van de maand volgend op dat kalenderkwartaal kennis te geven van die overgang door middel van de aangifte bedoeld in artikel 2 of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde . Alle andere overgangen van een aangifteregeling naar een andere kunnen, op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige, door de administratie worden toegestaan en treden in werking de eerste dag van het aangiftetijdvak van de door de belastingplichtige gevraagde regeling volgend op de datum van aanvaarding van de aanvraag door de betrokken administratie. Het verzoek wordt gedaan door middel van de aangifte bedoeld in artikel 2 of 7bis van het koninklijk besluit nr. 10 van 29 december 1992 met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, de voorafgaande kennisgevingen en de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit inzake belasting over de toegevoegde waarde . § 4. Wanneer de belastingplichtige, na de indiening van de in paragraaf 1 of 2 bedoelde aangifte in die aangifte een materiële vergissing vaststelt, dient hij, vóór het verstrijken van de indieningstermijn voor die aangifte, een nieuwe aangifte in voor dezelfde periode, die de vorige aangifte annuleert en vervangt. Wanneer er geen aangifte kan worden ingediend vóór het verstrijken van de indieningstermijn van de te corrigeren aangifte, neemt de belastingplichtige een correctie op in de eerstvolgende aangifte die moet worden ingediend. Onder materiële vergissing in de zin van het eerste lid wordt verstaan elke vergissing of elke vergetelheid die geen aanleiding geeft tot het opmaken of uitreiken van een verbeterend stuk. § 5. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 dient de curator van een gefailleerde belastingplichtige, uitgezonderd in de gevallen bedoeld in artikel XX.140 van het Wetboek van economisch recht, volgens de modaliteiten bepaald in artikel 18, § 1 en § 2, en ten laatste op 28 februari van het kalenderjaar volgend op dat waarop ze betrekking heeft, een jaaraangifte in voor de aan de belasting onderworpen handelingen die hij elk jaar verricht in naam van die belastingplichtige, met ingang van de dag van het vonnis van faillietverklaring. De curator voldoet de verschuldigde belasting ten laatste op 30 april van het kalenderjaar volgend op dat waarop de in het eerste lid bedoelde aangifte betrekking heeft. In afwijking van het eerste lid, dient de curator bij de sluiting van het faillissement de in het eerste lid bedoelde aangifte in ten laatste op de laatste dag van de tweede maand die volgt op de datum van het vonnis tot sluiting van het faillissement. De curator voldoet de verschuldigde belasting ten laatste binnen de drie maanden volgend op het verstrijken van de termijn voor de indiening van de in het derde lid bedoelde aangifte.
Tekst: FOD Financiën, FisconetPlus, officieuze coördinatie Koninklijk besluit nr. 1, van 29 december 1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, artikel opgehaald op 2026-09-28. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek. FOD Financiën, FisconetPlus
Algemene informatie; geen belasting- of juridisch advies en geen toepassing op uw situatie. Versie 2026-09-28; wettekst gecontroleerd op 2026-09-28. Alleen de tekst in het Belgisch Staatsblad is authentiek.